Het is in om grote tentoonstellingen te maken over vrouwelijke artiesten. Ook Tate Modern doet eraan mee. Na de geslaagde retrospectieve over de textielkunstenares Anni Albers is het de beurt aan Natalja Gontsjarova. De Russische avant-gardeartieste raakte vooral bekend met haar schilderijen, maar ze maakte ook kostuums en decors voor...

Het is in om grote tentoonstellingen te maken over vrouwelijke artiesten. Ook Tate Modern doet eraan mee. Na de geslaagde retrospectieve over de textielkunstenares Anni Albers is het de beurt aan Natalja Gontsjarova. De Russische avant-gardeartieste raakte vooral bekend met haar schilderijen, maar ze maakte ook kostuums en decors voor balletten en opera's van Igor Stravinsky, Sergei Prokofiev en Nikolai Rimsky- Korsakov. Gontsjarova beperkte zich niet tot één discipline: de ene kunstvorm beïnvloedde de andere in een streven naar één overkoepelende 'cubo-futuristische' esthetiek. Ze experimenteerde ook met boekontwerpen, was betrokken bij avant-gardefilms en werkte voor modehuizen. Aan de kunstacademie in Moskou studeerde ze eerst sculpturen, maar ze schakelde over naar de schilderkunst. Net zoals haar tijdgenoot Kazimir Malevitsj liet ze zich inspireren door religieuze iconen en folklore: hoge en lage cultuur gooide ze zomaar door elkaar. Samen met haar man, de avant-gardeschilder Michail Larionov, ontwikkelde ze een eigen abstracte stijl, het rayonisme. In 1911 was Gontsjarova een van de stichtende leden van Der Blaue Reiter, de experimentele kunstgroep rond Wassily Kandinsky. Tijdens de Russische Revolutie verhuisde ze naar Europa - eerst naar Genève, daarna naar Parijs - waar ze de rest van haar leven bleef wonen. Wanneer het nazisme oprukte, vroeg ze de Franse nationaliteit aan. Ze bleef werken aan een oeuvre dat op de wip zat tussen haar Russische roots en haar Europese connectie. In haar eerste grote overzichtstentoonstelling in het VK brengt Tate Modern al die facetten samen.