Om de kennismaatschappij te stimuleren en de cultuur te bevorderen, werd in 2008 in de personenbelasting een pendant van het fiscaal voordelige stelsel van de inkomsten uit octrooien ingevoerd. De vergoeding voor auteursrechten en naburige rechten wordt sindsdien belast als roerende inkomsten tot een bedrag van 56.450 euro (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2013), zelfs als die worden verworven voor een beroepsactiviteit. Zo worden die inkomsten niet belast tegen het marginale progressieve tarief, maar wel tegen 15 procent roerende voorheffing, na kostenaftrek.
...

Om de kennismaatschappij te stimuleren en de cultuur te bevorderen, werd in 2008 in de personenbelasting een pendant van het fiscaal voordelige stelsel van de inkomsten uit octrooien ingevoerd. De vergoeding voor auteursrechten en naburige rechten wordt sindsdien belast als roerende inkomsten tot een bedrag van 56.450 euro (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2013), zelfs als die worden verworven voor een beroepsactiviteit. Zo worden die inkomsten niet belast tegen het marginale progressieve tarief, maar wel tegen 15 procent roerende voorheffing, na kostenaftrek. Dat tariefverschil maakt voor de belastingplichtigen meer dan de spreekwoordelijke slok op de borrel uit. De regeling was dan ook meteen een succes. Al wie min of meer een auteursrecht in zijn beroepsuitoefening kon claimen, zocht de optimalisatie op. En niet ten onrechte, want dat was de bedoeling. Het probleem is dat de fiscale wetgever zich er onvoldoende rekenschap gaf van hoe wijdverbreid auteursrechten zijn, toen hij de wet invoerde. Zodra aan een werk enige originaliteit kan worden toegeschreven, kan de auteursrechtelijke bescherming worden ingeroepen. Het werk kan elke vorm aannemen. Bovendien werd in het wetboek inkomstenbelasting nog altijd niet vastgelegd hoe een auteursrecht moet worden vastgesteld. Ook dat leidt tot moeilijkheden. Wie een boek schrijft, is auteursrechtelijk beschermd. Maar niet alle vergoedingen die hij ontvangt voor het werk, gelden als een vergoeding uit hoofde van het auteursrecht. Om het met een vergelijking te zeggen: de inspiratie wordt vergoed met vergoedingen onder het auteursrecht; de transpiratie -- in dit geval het materiële typewerk -- is een vergoeding voor de gedane arbeid, die wordt belast als een beroepsinkomen. Het is de vraag hoe die opdeling moet gebeuren. Door de onzorgvuldige wetgeving is dat niet precies te bepalen. Bovendien heeft de wet nooit opgelegd dat de toerekening van een vergoeding voor auteursrecht aan een werknemer contractueel moet worden uitgesplitst. Iedereen die bij de regeling betrokken was, zag de bui hangen, ook de journalisten. De Vlaamse Vereniging van Journalisten en de Vlaamse Dagbladpers legden in april 2010 een billijk voorstel voor aan de federale overheidsdienst Financiën. Maar tot vandaag heeft de belastingadministratie daarover geen formeel standpunt ingenomen. Wel gaan enkele rulingaanvragen over die problematiek. Maar daar valt niet echt een lijn in te trekken. Zo bevestigde de rulingdienst dat het schrijven "in bijberoep" aanleiding geeft tot een vergoeding die volledig als een auteursrechtelijke vergoeding moet worden beschouwd. Als de tekst in hoofdberoep wordt geschreven, mag die vergoeding slechts voor een deel als een auteursrechtelijke vergoeding worden beschouwd. Dat is niet alleen in strijd met het rechtvaardigheidsgevoel, maar ook met het gelijkheidsbeginsel. Onzekerheid alom dus -- of toch tot op 4 september 2014. De fiscus publiceerde die dag een omzendbrief die heel to-the-point was. De circulaire bevestigde -- weliswaar impliciet -- dat de regeling allerminst in duidelijkheid uitblinkt. Daarom moest de fiscus de contractuele afspraken tussen de partijen als criterium volgen. Rechtschapenheid in fiscaliteit bestaat dus toch. Alleen, die rechtschapenheid gold maar voor even. Vier dagen later werd de circulaire alweer ingetrokken, "tot nader onderzoek van deze aangelegenheid van de fiscus". En zo komt het dat er zes jaar na de invoering van de wetgeving nog altijd geen duidelijkheid is. Nochtans is de politieke wereld de regeling niet ongenegen. Want toen de regering-Di Rupo de roerende voorheffing optrok tot 25 procent, werd al na amper vier uur teruggekomen op die beslissing voor de vergoeding van auteursrechten. Dat tarief bleef op 15 procent. Maar de creatieve sector was meer gebaat met duidelijkheid over de toepassing van de wet. En het wordt schrijnender: een jaar geleden kondigde de BBI aan strenge controles op de vergoedingen op auteursrechten te verrichten. Die zijn nu aan de gang. Er zijn zelfs gevallen waarbij dat tot een sociaal bloedbad aanleiding geeft, als de belastingadministraties haar zin kan doordrijven. Uiteraard hoeft u mij niet te vragen wat ik daarvan vind.Jan Tuerlinckx is advocaat van Tuerlinckx Fiscale Advocaten.JAN TUERLINCKXIn het wetboek inkomstenbelasting is nog altijd niet vastgelegd hoe een auteursrecht moet worden vastgesteld.