De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Inkomstenbelastingen verjaren na verloop van vijf jaar. Maar in nogal wat gevallen duurt het veel langer vooraleer het vaststaat dat een belastingschuld wel of niet verschuldigd is. Op zich is dat niet erg. Een lopende verjaring kan worden gestuit. Na de stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen, en na een daaropvolgende stuiting weer vijf jaar enzovoort. DWANGBEVEL. Klassiek menen de belastingontvangers de verjaring te kunnen stuiten door het betekenen van een dwangbevel, waarbij de belastingplichtige bij gerechtsdeurwaardersexploot aangemaand wordt om de openstaande belastingschuld in principe onmiddellijk te betalen. Maar in een recent verleden heeft het Hof van Cassatie bij herhaling beslist dat zo'n dwangbevel op het gebied van de inkomstenbelastingen niet altijd stuitende werking heeft. Een dwangbevel is immers een middel van tenuitvoerlegging. Dat kan slechts rechtsgeldig gebruikt worden als de belastingschuld onbetwistbaar verschuldigd is. Dit is niet het geval als de belastingplichtige bijvoorbeeld bezwaar heeft aangetekend. De belastingschuld is dan hoegenaamd niet onbetwistbaar verschuldigd. Integendeel zelfs. Volgens het Hof van Cassatie kan een dwangbevel dan geen stuitende werking hebben. Door deze rechtspraak dreigden heel wat belastingschulden in een klap verjaard te zijn, zeker in die gevallen waarin het dwangbevel de belastingplichtige - ondanks zijn bezwaar - aanmaant om de openstaande belastingschuld niet na afloop van de betwisting, maar wel onmiddellijk te betalen. SCHORSING. De regering zag de bui hangen, en hoopte het tij te keren door snel een nieuwe wettelijke regeling in te voeren. Die luidde dat (onder meer) het indienen van een bezwaar voortaan schorsende werking heeft. De verjaring loopt dan niet, zolang de betwisting niet achter de rug is. Aanvankelijk leek het probleem daarmee opgelost. Maar bij nader inzien was dat slechts het geval voor belastingschulden waarvoor de verjaring nog niet ingetreden was op het ogenblik dat de nieuwe regeling van toepassing werd. Zij kon daarentegen niets meer verhelpen aan verjaringen die - wegens het onjuist gebruik van een dwangbevel - geacht moeten worden niet gestuit geweest te zijn, en die dus definitief verworven zijn. Opnieuw dreigden tal van oude belastingschulden - wegens verjaring - niet meer ingevorderd te kunnen worden, en dus verloren te gaan voor de Schatkist. UITWEG. Aanvankelijk leek de minister van Financiën eerder geneigd om de handdoek in de ring te werpen. Maar volgens hetgeen daarover in de dagbladpers te lezen heeft gestaan, zou het de eerste minister zelf geweest zijn die aangedrongen heeft om alsnog een uitweg te zoeken. Eerst dacht men die gevonden te hebben door het invoeren van een ingewikkelde wetsbepaling die de verjaring toch nog in een aantal gevallen ongedaan zou moeten maken. Maar het advies van de Raad van State liet aan duidelijkheid niets te wensen over. De voorgestelde regeling was volgens de Raad een "slag in het water". Terug naar af dus. Uiteindelijk is het de Raad van State zelf die een oplossing heeft gesuggereerd om het probleem alsnog uit de wereld te helpen. INTERPRETATIE. Werk met een interpretatieve bepaling, zo luidde de boodschap. De ontvangers van belastingen hebben sinds mensenheugenis verjaringen gestuit via het betekenen van dwangbevelen, zonder dat dit tot noemenswaardige problemen aanleiding heeft gegeven. Het is pas door de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie dat een dwangbevel geen stuitende werking meer zou hebben. Zeg daarom, via een interpretatieve wetsbepaling, dat een dwangbevel voor de toepassing van de inkomstenbelastingen wel stuitende werking heeft. Dan is het probleem zonder meer van de baan. Een interpretatieve wetsbepaling heeft immers als bijzonder kenmerk dat zij door de rechter moet worden toegepast, telkens hij uitspraak moet doen over de betwiste regeling, ook als die op het verleden slaat. UITZONDERLIJK. De regering heeft deze suggestie ter harte genomen, en heeft in het ontwerp van Programmawet dat nu in het Parlement besproken wordt een amendement laten opnemen dat in deze oplossing voorziet. Daarmee lijkt het probleem van de baan. Telkens voor de rechter de vraag ter sprake zal komen of een bepaalde belastingschuld niet verjaard is, omdat het dwangbevel niet deugde, zal de rechter moeten beslissen dat het uitgevaardigde dwangbevel wel degelijk stuitende werking heeft gehad. Ook als het gaat om zaken waarin de verjaring op het eerste gezicht al verworven zou zijn. Althans dat is wat de regering hoopt te bereiken. Of dat effectief het geval zal zijn, is niet honderd procent zeker. In zijn advies heeft de Raad van State immers laten verstaan dat het werken met een interpretatieve bepaling die verkregen rechten op de helling zet, alleen in uitzonderlijke omstandigheden gewettigd is. De nieuwe vraag wordt dus of de wetgever in voldoende mate aangetoond heeft dat wel degelijk uitzonderlijke omstandigheden voorhanden waren. Daar zal in menig kantoor gegarandeerd nog eens goed over worden nagedacht. Jan Van Dyck"Een dwangbevel wordt alsnog geacht stuitende werking te hebben."