De auteur is rector van de Universiteit Maastricht.
...

De auteur is rector van de Universiteit Maastricht. Naarmate de financiële crisis in Europa voortwoekert, spitst de macro-economische discussie zich steeds meer toe op de noodzaak van een verdere Europese integratie. Het gaat dan vooral over die bevoegdheden die essentieel lijken om de macro-economische stabiliteit te bewaren in de monetaire unie. José Manuel Barroso, Mario Draghi en Herman Van Rompuy hebben ieder al gewezen op de noodzaak van een fiscale en bancaire unie. Die moet de effectiviteit van de Europese finan-ciële steunfondsen verhogen. Maar ook een integratie die verder gaat dan de traditionele monetaire en economische komt almaar meer naar voren. Het gaat dan over aspecten van politieke integratie. Ten eerste is er de vraag naar het democratische gehalte van al die voorstellen. Daarbij valt het op dat Martin Schultz, de voorzitter van het Europees Parlement, in deze niet gehoord wordt. Hij is nochtans wel goed genoeg om samen met Barroso en Van Rompuy de Nobelprijs voor de Vrede in Oslo te gaan ophalen. Daarnaast moeten we ons de vraag stellen of er ook niet moet worden gekeken naar andere domeinen, die nu misschien niet direct onder druk staan, maar straks wel van wezenlijk belang zullen blijken voor de langetermijngroei van de Unie en haar lidstaten. Dan hebben we het over bevoegdheden waar de oude principes van subsidiariteit over de jaren heen niets van hun belang hebben verloren. Een goed voorbeeld is investeren in kennis in de brede zin: van fundamenteel onderzoek tot innovatie en hoger onderwijs. Die investeringen staan in heel wat Europese landen onder druk, of zullen in de komende jaren onder druk komen te staan. Sommige van die bevoegdheden, zoals hoger onderwijs, behoren tot het exclusieve beleidsterrein van nationale of, zoals in Vlaanderen, regionale overheden. Andere, zoals fundamenteel onderzoek of het investeren in grote onderzoeksinfrastructuur, leunen steeds meer op Europese financiering. Soms levert Europa zelfs de hoofdmoot van de middelen, via Europese instellingen zoals de Europese Research Council of het Europees Strategisch Forum voor Onderzoeksinfrastructuur (ESFRI). Ten slotte zijn er tal van beleidsgebieden die toegepaste kennis en innovatie ondersteunen, en waar Europese initiatieven en financiële steun hoofdzakelijk gericht zijn op het coördineren van het nationale beleid, om te komen tot een 'gezamenlijke programmering'. Onderwijs in de brede zin is met andere woorden iets waarover we het met zijn allen eens zijn dat het cruciaal is voor onze welvaart op lange termijn, maar dat uitgegroeid is tot een wirwar van nationale, regionale en Europese bevoegdheden met tal van overlappingen. In andere aspecten ervan ontbreken dan weer de Europese schakels. Ook hier brengt de crisis diagnostische helderheid. Europa moet niet alleen gaan over monetaire, economische en politieke integratie. Heeft excellent fundamenteel onderzoek nog altijd behoefte aan nationale of regionale steunprogramma's, als er ook al Europese bestaan? En moeten we, twintig jaar na de eerste internettoepassingen, nog altijd nationale telecommarkten en -toezichthouders hebben? Zodra die onderwerpen in het blikveld komen, blijkt dat Europa niet alleen faalt in monetaire integratie, maar evenzeer in integratie van de reële economie en de kennisontwikkeling in het bijzonder. Twintig jaar geleden was Europa wereldleider in informatietechnologie en communicatiestandaarden. Geen enkele van de Europese schaalvoordelen hield echter stand, onder meer doordat de nationale overheden vasthielden aan hun eigen bevoegdheden. Willen we de financiële en economische crisis achter ons laten, dan moeten we bekijken welke bevoegdheden waar thuishoren in de Europese Unie. Het is de hooogste tijd voor fundamentele reflecties. LUC SOETEEuropa faalt niet alleen in monetaire integratie, maar evenzeer in integratie van de reële economie en de kennisontwikkeling in het bijzonder.