De auteur is adjunct-directeur van de VEV-Studiedienst.
...

De auteur is adjunct-directeur van de VEV-Studiedienst.De wereldeconomie blijft kwakkelen. Niemand kan er nog omheen: we beleven niet zomaar een 'dipje'. Het uitblijven van een conjunctuurherstel weegt zwaar op de groeiperspectieven van een kleine open economie als die van Vlaanderen. Zonder te dramatiseren, wordt de malaise van de wereldeconomie best zeer ernstig genomen. Niet meteen uit vrees voor een herhaling van de catastrofes uit de jaren dertig. Wel omdat deze eerste groeivertraging van de 21ste eeuw van een nieuwe orde is, een soort waartegen het klassieke macro-economische apparaat van anticyclisch beleid niet langer afdoende gewapend is. Nieuwe recepten zijn nodig. De locomotief is weg. De jongste conjunctuurcyclus - van opgang eind jaren negentig naar neergang na 2000 - vertoont een ander beeld dan voorgaande cycli. De opgaande fase was korter en steiler en werd gevoed door een spectaculaire beursklim. Tegelijk was de terugval die daarop volgde sterker en langer dan verwacht. De intensiteit van de conjunctuurschommeling is dus toegenomen. Gevolg: meer kapitaalverspilling in de opgaande fase (internetzeepbel en fusiemanie), wat het uitzieken nadien verlengt en verzwaart. Bovendien verlopen de conjunctuurcycli van de economische blokken - zeker Europa en de VS - meer synchroon. Op dit moment zitten de drie grote economieën - de VS, Europa en Japan - tegelijk in een dal. Terzelfder tijd hebben ook de opkomende groeilanden het moeilijk. Dit impliceert dat er nu geen locomotief meer is om het wereldherstel op gang te trekken. De uitdagingen voor een anticyclisch beleid, gericht op de beperking van de conjunctuurschommelingen, zijn dus fors toegenomen. Hoe is het zover kunnen komen? Het spel is veranderd. Het klinkt cliché, maar globalisering maakt ook hier het verschil. De internationale vervlechting van handels- en kapitaalstromen is enorm toegenomen. De toename zit niet zozeer in de fysieke handel. De belangrijkste motoren van de globalisering zijn enerzijds de directe buitenlandse investeringen, de fusies en overnames en anderzijds de vrijmaking en mondialisering van de financiële markten. De totale waarde van grensoverschrijdende investeringen is tegenover 1990 met zes vermenigvuldigd, vooral wegens de toename van de megafusies. Het World Investment Report telde eind 1999 circa 63.000 transnationale ondernemingen met een totaal van 725.000 filialen verspreid over de hele wereld. Die filialen produceerden voor 14.000 miljard dollar voor de betrokken lokale markten - dat is ruim het dubbele van de wereldhandel. Problemen op bepaalde lokale markten verspreiden zich snel over de aardbol via deze transnationale bedrijfswereld. De internationale financiële handel - in aandelen en steeds meer ook in afgeleide producten - kende een enorme ontwikkeling en klom naar een waarde van 1500 miljard dollar aan transacties per dag. De belangrijkste oorzaken hierachter: de vrijmaking van de financiële markten, de opgang van het Angelsaksische model van bedrijfsfinanciering via de beurs (versterkt door de fusiemanie) en de groeiende interesse van het grote publiek voor de aandelenmarkten. Kapitaal wordt dus steeds sneller wereldwijd verplaatst. Tot op zekere hoogte is dat een positieve zaak, omdat kapitaal zo sneller zijn weg vindt naar productieve investeringen. Maar de internationalisering van de financiële markten is ook gepaard gegaan met een toename van het irrationeel kuddegedrag, wat een bron was van talrijke zeepbellen. Veel investeerders hebben zich een strop rond de nek gelegd door om de haverklap een beroep te doen op schuldfinanciering. Met het doorprikken van de zeepbel werd hun adem afgesneden. De sterke groei heeft er bovendien toe geleid dat de malaise op de financiële markten sneller dan vroeger doorsijpelt naar de reële economie. Ondernemingen en burgers die zwaar hebben geïnvesteerd op de beurs, zien hun bestedingsvermogen zwaar gekortwiekt. Het wantrouwen tegenover nieuwe beursinvesteringen dat ze als gevolg daarvan koesteren, is taai en verdwijnt pas na jaren. Rente kan niet blijven zakken. Conjunctuurcycli krijgen in de 21ste eeuw een ander, scherper profiel. Het is echter opmerkelijk hoe in het mainstreamdenken van beleidsverantwoordelijken en opinieleiders nog steeds teruggegrepen wordt naar de recepten van anticyclisch beleid van de 20ste eeuw. Van de monetaire overheid wordt verwacht de crisis te lijf te gaan met renteverlagingen. De nationale overheden in de EU lonken opnieuw naar een 'budgettair relancebeleid', waarvoor het Stabiliteitspact maar even moet wijken. Het Japanse voorbeeld - aanhoudende malaise ondanks monetaire en budgettaire impulsen - geeft aan dat deze recepten weinig soelaas brengen. De rente kan ook niet blijven zakken. De Amerikaanse rente zit op het diepste punt in veertig jaar en de reële rente is er op dit moment negatief. En keuze voor nieuwe beleidsinstrumenten dringt zich op. De preventie van overdrijvingen in de opgaande fase moet daarbij aandacht krijgen: exuberante schuldfinanciering of een expansief begrotingsbeleid moet worden tegengegaan; transparantie en behoorlijk bestuur bij ondernemingen moeten worden bevorderd. Zaak is om opnieuw meer rationaliteit te brengen in de financiële markten, zonder ten prooi te vallen aan 'regulitis'. Centrale banken - ook de restanten daarvan in de eurolidstaten - kunnen hier een nieuwe rol opnemen. Zij kijken doorgaans verder in de tijd, ze vertonen minder kuddegedrag en hebben oog voor de interactie tussen de financiële sector en de reële economie. Jan Van DorenZaak is om opnieuw meer rationaliteit te brengen in de financiële markten. De centrale banken kunnen hier een nieuwe rol opnemen.