B ig is beautiful. Zo luidt het credo binnen de oliesector. Vandaag donderdag, belegde Total een aandeelhoudersvergadering om de overname van PetroFina af te ronden. Ongetwijfeld wordt er nog een hartig woordje gesproken, want vooral Amerikaanse, institutionele aandeelhouders hadden nog vraagtekens bij de operatie. Total lijkt immers niet de meest logische partner voor PetroFina dat vooral op raffinage is gericht. De synergieën met bijvoorbeeld Elf zijn groter, omdat dat concern meer olie wint die PefroFina kan raffineren, terwijl Total een nettoaankoper van olie is. Het bedrijf ontgint te weinig om aan alle raffinagecapaciteit van de nieuwe groep te voldoen.
...

B ig is beautiful. Zo luidt het credo binnen de oliesector. Vandaag donderdag, belegde Total een aandeelhoudersvergadering om de overname van PetroFina af te ronden. Ongetwijfeld wordt er nog een hartig woordje gesproken, want vooral Amerikaanse, institutionele aandeelhouders hadden nog vraagtekens bij de operatie. Total lijkt immers niet de meest logische partner voor PetroFina dat vooral op raffinage is gericht. De synergieën met bijvoorbeeld Elf zijn groter, omdat dat concern meer olie wint die PefroFina kan raffineren, terwijl Total een nettoaankoper van olie is. Het bedrijf ontgint te weinig om aan alle raffinagecapaciteit van de nieuwe groep te voldoen. Veronique Haspeslagh, analiste op de studiedienst van KBC: "In elk geval is deze operatie zeker niet het laatse wapenfeit van de huidige fusiegolf, die de sector hertekent. De combinatie Exxon-Mobil is echter een maatje te groot voor al de rest. Precies deze twee bedrijven, die in de jaren tachtig ook al de kar trokken op het vlak van de interne herstructureringen, lopen nu voorop. De overige bedrijven volgen, wanneer ze eenmaal orde op zaken hebben gesteld in eigen keuken. Op de beurs presteerden de oliemaatschappijen de laatste tien jaar slechter dan het gemiddelde, wat de aandeelhouders onrustig maakt. Via fusies hoopt men hen een betere return te kunnen aanbieden." TRENDS. Klopt de analyse dat het in de eerste plaats de huidige, lage olieprijzen zijn, die de oliebaronnen in elkaars armen drijven? VERONIQUE HASPESLAGH (KBC). We kunnen er niet naastkijken dat het ineenstorten van de prijzen vorig jaar de fusiegolf heeft ontketend. Toch zijn dergelijke operaties dermate ingewikkeld en duur, dat niemand er zomaar aan begint. Een dieperliggende oorzaak ligt in de forse daling van de exploratiekosten de voorbije jaren. Overal ter wereld wordt goedkoop naar olie geboord. Tien jaar geleden kostte het in de Noordzee bijvoorbeeld nog 16 dollar om een vat te ontginnen, terwijl het vandaag in de goedkoopste velden kan voor niet meer dan 4 dollar. Voor de oliebedrijven betekent dat lagere kosten, terzelfdertijd ontstaat echter een structurele overvloed aan olie en dus daalt de prijs. Vorig jaar kwam deze trend uitdrukkelijk aan de oppervlakte. In september bleken op een bepaald ogenblik alle olieopslagplaatsen vol, waardoor tankers hun olie niet kwijtraakten en op zee bleven rondvaren. Pas tijdens de winter werd een deel van de voorraden opgebruikt. Doordat de oliemaatschappijen echter ook voor de komende jaren een lage olieprijs verwachten, beseften ze dat verdere kostenbesparingen noodzakelijk waren. In de jaren tachtig ontstond op die manier een golf van interne rationalisaties. Toch is het niet mogelijk eeuwig te besparen als je iets wil overhouden. Men tracht die grens nu te verleggen door via schaalgrootte de exploratiekosten te spreiden over een grotere productie.Is fusioneren echt een must? Bedrijven als Texaco en Chevron beweren dat ze het ook alleen kunnen redden.PetroFina had ook een stand-alone beleid, tot de overname bekend raakte. Dat betekent dat het bedrijf zijn aandeelhouders een soortgelijke return zal moeten kunnen bieden als de grotere. Texaco en Chevron zijn natuurlijk geen kleintjes - ze behoren tot de tien grootste maatschappijen. Maar de onafhankelijke bedrijven die overblijven en enkel actief zijn in exploratie, hebben het vandaag heel moeilijk. Hun olie raken ze amper aan de straatstenen kwijt, ze worden uit de markt geweerd. Vooral in de VS zijn er nog dergelijke spelers, maar die worden opgeslorpt op basis van hun portefeuille aan oliereserves. Aan de huidige lage olieprijzen is het immers goedkoper olie te kopen door een bedrijf over te nemen op de beurs, dan door zelf te boren naar olie. Dat verklaart waarom het aantal overnametransacties vandaag zo groot is. Willen de oliemaatschappijen naast het realiseren van schaalvoordelen ook niet opnieuw de hele productieketting in handen nemen?Als de olieprijzen laag zijn, biedt verticale integratie tenminste een kostenvoordeel stroomafwaarts. De raffinagepoot kan dan immers profiteren van de lage inputkosten. In tegenstelling tot de exploratie, zie ik in de raffinage wél nog plaats voor performante, onafhankelijke bedrijven. Al is er zeker in Europa een forse overcapaciteit op het vlak van raffinage, ook al werden enkele raffinaderijen gesloten.Ook de staatsbedrijven uit de Opec-landen, die traditioneel de horizon beperkten tot exploratie, richten zich nu meer op raffinage. Zo trachten ze wat te recupereren van de klap die ze incasseerden, toen de geldkraan werd dichtgedraaid door de dalende prijzen. Tegenover deze groep van exploratiebedrijven, staat de groep van de seven sisters - de zeven erfgenamen van het opgedeelde Standard Oil. Momenteel hebben ze meer raffinagebelangen, omdat ze in de jaren zeventig uit de Opec-landen waren buitengezet. Toen begonnen die ook elders olie aan te boren. Als groep bleven ze nettoaankoper van olie. Mogen we dan in het huidige klimaat ook een toenadering verwachten tussen deze beide groepen?De ontginning van de reserves van de Opec-landen vergt zware investeringen in de grootteorde van duizenden miljarden. Het mag dan al gaan om reusachtig grote bedijven, dergelijke bedragen moeten ze nog kunnen dragen. Alweer een reden voor fusies en schaalvergroting. Bovendien laten de oliebedrijven extra ontginningscapaciteit, ondanks de huidige lage prijzen, zeker niet links liggen. Op termijn bepalen de oliereserves het toekomstpotentieel van een oliemaatschappij. Daarbij komt dat de exploratie vóór de prijsval hogere marges bood dan de raffinage. PetroFina is daar een goed voorbeeld van. Het bedrijf was voor 80% actief in raffinage, maar 80% van de winst was afkomstig van exploratie.Feit is dat men erbij wil zijn als de prijzen over enkel jaren opveren. Tegelijk is er de opportuniteit van de diversificatie van energiebronnen. De oliemaatschappijen investeren fors in de oliewinning in de Kaspische Zee of zelfs in de aanleg van gasnetwerken. Total won de aandacht van de beleggers, omdat het bedrijf sterk staat in de ontginning van gas. En ook investeringen in de hernieuwbare energiebronnen slorpen middelen op. De topman van Shell beweert dat tegen 2050 de winst voor de helft uit alternatieve energie moet worden geput. Of dat zo zal zijn, valt af te wachten. Eén ding is zeker. Al deze investeringen vragen schaalgrootte. DAAN KILLEMAES