De groten en de kleintjes
...

De groten en de kleintjesTerwijl Maastricht (en vooral de Maastricht-norm) nog volop de debatten beheerst, begint op de top van de Europese Unie in Turijn (29 en 30 maart) reeds de volgende ronde van de institutionele besprekingen. Deze intergouvernementele conferentie moet Maastricht evalueren ; er zijn immers goede redenen om een paar jaar na Maastricht de institutionele structuur opnieuw te bekijken. Bovendien moet deze conferentie het kader creëren voor de uitbreiding naar het oosten.Welke aanpassingen aan de besluitvormingsstructuur nodig zijn, hangt uiteraard af van het aantal lidstaten dat de EU eventueel zal vervoegen. Het staat echter vast dat de huidige besluitvormingsstructuur moeilijk gehandhaafd kan worden. Daarbij rijzen drie bedenkingen. Eén : hoe meer lidstaten er komen, hoe onhoudbaarder de unanimiteits- of consensusregel wordt. Twee : wanneer elke lidstaat tenminste één commissaris heeft, ontstaat een versnippering van bevoegdheden en wordt de commissie een mini-parlement in plaats van een besluitvaardige executieve. Drie : de stemmenverdeling tussen de lidstaten inzake gekwalificeerde meerderheden dient wellicht ingrijpend aangepast te worden.MACHTSEVENWICHT.Op dit laatste punt wil ik wat nader ingaan. Tot de toetreding van Finland, Oostenrijk en Zweden was de verdeling zo dat een beslissing genomen kon worden via consensus tussen de grootste vier lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk, elk met 10 stemmen), of tussen drie van die vier plus Spanje (8 stemmen). Een coalitie van de kleinen kon dus nooit de grootsten blokkeren, maar een coalitie van drie groten volstond niet om een beslissing te nemen : zij moesten een andere grote lidstaat of een aantal kleine lidstaten overtuigen.Sinds de toetreding van Finland, Oostenrijk en Zweden is het machtsevenwicht verschoven in het voordeel van de kleine lidstaten. De meeste kandidaat-leden uit Oost-Europa (evenals Malta) tellen minder dan 10 miljoen inwoners ; alleen Polen kan tot de grote landen gerekend worden. Voortborduren op het huidige systeem verleent buitensporige macht aan een dozijn landen die samen geen 100 miljoen inwoners tellen, terwijl de vier grote lidstaten ongeveer 200 miljoen inwoners vertegenwoordigen. Dat is onhoudbaar.VOORZITTERSCHAP.De vraag is evenwel hoever de kleine landen zullen terugvallen. Verliezen zij aan relatief stemmengewicht, zodat ze ongeveer terugkeren naar de situatie die vroeger al bestond ? Verliezen ze bovendien hun vaste toerbeurt voor het voorzitterschap van de raad ? Verliezen ze zelfs het recht op vertegenwoordiging in de commissie ?Wat het voorzitterschap betreft : bij de toetreding van slechts drie nieuwe lidstaten zou iedere lidstaat nog maar om de acht jaar aan de beurt komen. Na elk voorzitterschap door een regeringsleider van een grote lidstaat zou dan een jarenlange parade volgen van regeringsleiders uit landen die buiten Europa nauwelijks bekend zijn.Dit laatste hoeft uiteraard de werking van de instellingen niet te schaden. Er zijn zelfs heel wat argumenten om te stellen dat het voorzitterschap van kleine lidstaten dikwijls efficiënter kan zijn. Zij roepen minder controversen op en kunnen zo heel wat bereiken, mits zij goede mensen naar voren schuiven. Landen als België, die hiervan al diverse keren blijk hebben gegeven, mogen zich evenwel niet laten verblinden door geboekte successen. In de intergouvernementele conferentie zal het er vooral op aankomen hoe de grote lidstaten dit opvatten.EROSIE.Het ligt voor de hand dat wij in de eerste plaats verworven rechten verdedigen maar de tijd is misschien gekomen om ook te zoeken naar een intelligente terugvalpositie. Kunnen wij leven met een verregaande verwatering van onze stemmen in de raad, maar met het behoud van de verdelingsmechanismen inzake functies en voorzitterschappen ? Dat lijkt wel onvermijdelijk. Kunnen wij leven met een andere toerbeurt voor het voorzitterschap ? De meesten van ons wellicht wel. Kunnen wij ermee leven dat de Benelux recht zou hebben op één commissaris (wellicht bij toerbeurt te verdelen tussen België, Nederland en Luxemburg) ? Dat lijkt al heel wat moeilijker.Op die manier kan de intergouvernementele conferentie voor een aantal landen een traumatische ervaring worden. Nadat de grote lidstaten moesten wennen aan het verlies van hun status als wereldmacht, dreigen nu de kleine lidstaten geconfronteerd te worden met de realiteit van hun klein-zijn. Vooral landen als België en Nederland (dat nooit goed weet of het zich moet profileren als grootste van de kleintjes, dan wel als kleinste van de groten) ervaren dit op een pijnlijke manier. Dankzij de Europese integratie konden wij tot dusver een grotere rol spelen dan voorheen ; in ieder geval werd de erosie van onze positie in de wereld duidelijk vertraagd. Nu dreigt de erosie evenwel binnen de gemeenschap zelf.GEWICHT.Voor België ligt dit misschien nog moeilijker. Het federaliseringsproces maakt het de anderen niet gemakkelijk om onze positie in de wereld in te schatten. Gewesten en gemeenschappen eisen steeds nadrukkelijker hun eigen plaats op in het besluitvormingsproces van de EU, zodat het voor iedereen duidelijk wordt dat de handen van de federale regering meer en meer gebonden zijn inzake het buitenlands beleid.Het is ook zeer de vraag of onder meer de Vlaamse politieke en publieke opinie nog echt geïnteresseerd is in een versterking van de Belgische positie. Daarbij gaat Vlaanderen er meestal van uit dat het ook afzonderlijk het gewicht kan hebben van een niet al te kleine lidstaat. Tenslotte is Vlaanderen niet kleiner dan Denemarken of Ierland.Die redenering is gevaarlijk in de verschuivende context van de intergouvernementele conferentie. De Vlaamse input kan nooit méér vertegenwoordigen dan de grote helft van België. Wanneer kleine landen (zoals België) terrein moeten prijsgeven in een uitgebreide EU, dreigt Vlaanderen daar nog minder te betekenen dan Luxemburg in de huidige EU. JACQUES STEENBERGENDr. Jacques Steenbergen is advocaat-vennoot bij Loeff Claeys Verbeke en professor aan de KU-Leuven.