Eind 2005 werd de heffing op het sparen ingevoerd. Daardoor is 25 procent roerende voorheffing verschuldigd op minstens een deel van de meerwaarde bij de verkoop van beleggingsfondsen die een percentage van hun vermogen beleggen in producten met een vaste opbrengst, zoals schuldvorderingen. Eerst ging het om fondsen die meer dan 40 procent van hun vermogen investeren in schuldvorderingen. Sinds 20 december 2012 is dat percentage verlaagd tot 25 procent. De heffing heeft daardoor betrekking op obligatie- en monetaire fondsen en op gemengde fondsen die 25 procent of meer van de portefeuille beleggen in schuldvorderingen.
...

Eind 2005 werd de heffing op het sparen ingevoerd. Daardoor is 25 procent roerende voorheffing verschuldigd op minstens een deel van de meerwaarde bij de verkoop van beleggingsfondsen die een percentage van hun vermogen beleggen in producten met een vaste opbrengst, zoals schuldvorderingen. Eerst ging het om fondsen die meer dan 40 procent van hun vermogen investeren in schuldvorderingen. Sinds 20 december 2012 is dat percentage verlaagd tot 25 procent. De heffing heeft daardoor betrekking op obligatie- en monetaire fondsen en op gemengde fondsen die 25 procent of meer van de portefeuille beleggen in schuldvorderingen. De belastbare basis van die roerende voorheffing wordt berekend vanaf de aanschaffingsdatum van het recht van deelneming, maar gaat niet verder terug dan 1 juli 2005. Doordat de spaarders de invoering van de nieuwe belasting eind 2005 zagen aankomen, hebben velen nog vóór 1 januari 2006 hun fondsen verkocht om onmiddellijk in te stappen in een tak23-verzekeringsproduct. "Beleggingsfondsen zonder Europees paspoort -- fondsen die specifiek voor een of enkele lidstaten zijn opgezet -- ontsnapten eerst aan de heffing op het sparen", zegt Dirk Coveliers, directeur Estate Planning bij Petercam Private Banking. "Maar de regering-Di Rupo heeft vorige zomer totaal onverwachts besloten vanaf 1 juli 2013 ook de fondsen zonder Europees paspoort aan die heffing te onderwerpen. Door die beperkte retroactieve invoering konden de spaarders daaraan niet meer ontsnappen. Bovendien ging de berekening van de belastbare grondslag terug tot de datum van aankoop, maar met een limiet van 1 juli 2008." Die regeling kan nadelig zijn voor beleggers. Stel dat een belegger op 2 januari 2007 voor 1000 euro een Luxemburgs obligatiefonds zonder paspoort heeft gekocht. De portefeuille was voor 100 procent belegd in obligaties. Hij verkocht zijn belegging in augustus 2013 voor 1050 euro. Op 1 juli 2008 bedroeg de inventariswaarde van het aandeel 880 euro. De belasting werd dan berekend op het verschil tussen 1050 en 880 euro, of 170 euro, ook al bedroeg de eigenlijke meerwaarde slechts 50 euro, of het verschil tussen 1000 en 1050. Op die 170 euro werd 25 procent roerende voorheffing ingehouden. De limietdata van 1 juli 2005 en 1 juli 2008 staan in de wet. De financiële instellingen die de roerende voorheffing inhouden op fondsen die vroeger zijn gekocht, moeten uitgaan van de aanschaffingswaarde op die data, ook al had de belegger de rechten van deelneming verworven tegen een hogere inventariswaarde. Die situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij fondsen waarvoor de belastbare grondslag forfaitair loopt vanaf 1 juli 2008, maar die eerder werden aangeschaft. In 2007 waren er al koersdalingen, die nog fors toenamen vanaf 15 september 2008, toen de Amerikaanse bank Lehman Brothers over de kop ging. "De federale overheidsdienst Financiën lijkt zich nu bewust te worden van dat mogelijke nadeel. Ze heeft op 20 augustus 2014 een omzendbrief verspreid, waarbij ze aan de belastingplichtigen de mogelijkheid geeft de voorheffing die ze te veel hebben betaald, terug te vorderen", aldus Dirk Coveliers. "Dat is het geval als de forfaitair toegepaste beginwaarde van het fonds lager was dan de reële aanschaffingswaarde, en er dus een hogere meerwaarde op de fondsen werd geheven." De verkrijger kan dat verschil terugvorderen via een gemotiveerd bezwaarschrift. De belastingplichtige in het voorbeeld kan de roerende voorheffing op 1000 - 880 = 120 euro terugvragen. De belastingplichtige moet zelf het initiatief nemen om de roerende voorheffing terug te vragen en een bezwaar in te dienen bij de fiscus. Dirk Coveliers: "Volgens de omzendbrief kan de belegger tot vijf jaar in de tijd teruggaan. Tot eind dit jaar kan hij dus bezwaar maken tegen de verkopen die hij heeft verricht tot en met december 2009 en waarvoor de roerende voorheffing in januari 2010 is betaald aan de schatkist." "Sommige verbruikersverenigingen verwijten de banken dat ze niet spontaan meewerken aan de recuperatie van de roerende voorheffing die te veel is ingehouden, of dat ze het bezwaar niet in de plaats van de belastingplichtige indienen. Maar dat standpunt van de banken is begrijpelijk. Zij hoeven niet op te draaien voor een standpunt van de administratie dat eigenlijk tegen de wet ingaat. De implementatie van de wettelijke regeling in de IT-systemen heeft al genoeg inspanningen gevergd." Doorgaans kan de belastingplichtige de inventariswaarden van vóór de limietdata terugvinden op de borderellen van de aankoop. Hij moet die dan vergelijken met de waarden op 1 juli 2005 of 1 juli 2008. Door de verschillende formules die in bepaalde situaties moeten worden toegepast, is dat niet eenvoudig. Dirk Coveliers wijst erop dat het standpunt van de fiscus verwonderlijk is. "Het is niet uitgesloten dat de mening van de fiscus werd gevraagd bij een fusie van fondsen of compartimenten. Ook bij een fusie kan er roerende voorheffing verschuldigd zijn, hoewel de belegger nooit om die verrichting heeft gevraagd. Hij moet die belasting dan gewoon afdragen, zonder dat hij inspraak had in de fusie. In zo'n situatie is het nog pijnlijker als je wordt afgerekend op een basis die groter is dan de werkelijke meerwaarde." Maar de omzendbrief heeft niet alleen betrekking op fusies. "Is het dan misschien veeleer een mildering van het fiscale regime op monetaire, obligatie- en gemengde fondsen, waarop de particuliere belegger veel zwaarder wordt belast dan op elk ander beleggingsproduct of dan op rechtstreekse investeringen in obligaties?", vraagt Dirk Coveliers zich af. De eerste maatregelen die de nieuwe regering heeft genomen, wijzen er niet direct op dat die toestand wordt rechtgetrokken. "Door het plafond van de beurstaks op te trekken van 1 tot 1,35 procent, met een proportionele verhoging van het plafond tot 2025 euro, wordt de ongelijke behandeling van die producten nog erger", aldus Dirk Coveliers. Sinds de invoering van de beurstaks in 1993 is die belasting al verhoogd met 440 procent. Het verschil met 1993 is dat de verhoogde beurstaks nu in veel gevallen niet meer gerechtvaardigd is, omdat de verkopen van veel fondsen sinds 2006 kunnen worden onderworpen aan roerende voorheffing. Bovendien is de belastbare grondslag voor de berekening van die voorheffing sinds 2008 veel ruimer dan voor andere beleggingen." JOHAN STEENACKERSDe heffing op het sparen wordt zowel toegepast op beleggingsfondsen met als zonder Europees paspoort.