Het structureel begrotingstekort bedraagt amper 1,1 %, aldus economen van de Generale Bank. Dit onverhoopte steuntje voor de regering-Dehaene vertoont in de berekening echter een even gammel karakter als de begroting voor 1997 zelf.
...

Het structureel begrotingstekort bedraagt amper 1,1 %, aldus economen van de Generale Bank. Dit onverhoopte steuntje voor de regering-Dehaene vertoont in de berekening echter een even gammel karakter als de begroting voor 1997 zelf.Met de begroting 1997 blijft de regering-Dehaene zweren bij twee basisprincipes, nl. de wet van de kleine getallen en het "handrem-op"-syndroom. De fiscale oorveegjes die men ditmaal uitdeelt, raken de spaarders, de bedrijfswagens, de bierdrinkers, de autobestuurders en, onvermijdelijk, de rokers. Niks echt schokkends en dus blijft men vanuit regeringskringen het signaal uitzenden dat dergelijke kleine ingrepen toch onmogelijk ons economisch raderwerk kunnen verstoren. Dit nu reeds jaren durende kat en muis-spelletje met de Belgische producenten, investeerders, spaarders en consumenten begint echter steeds zwaarder te wegen op ons sociaal-economisch prestatievermogen. Op Zwitserland na werd België in de jaren negentig het traagst groeiende land van de geïndustrializeerde wereld (zie ook Trends van 29 augustus jl.). In de begroting 1997 zit ook weer naar traditie geen enkele zinvolle stimuleringsmaatregel, op fiscaal vlak noch inzake deregulering of investeringsklimaat. We rijden dus steeds meer met de handrem op naar het aards paradijs EMU. Beweren dat men niet over de nodige budgettaire ruimte beschikt om enige stimuleringsmaatregelen te nemen, is de wereld op zijn kop zetten. Het is enkel omdat men die ruimte niet kan/wil scheppen dat ze er niet komt. Deze situatie loopt volkomen parallel met de problematiek van de sociale zekerheid. Net zoals bij voorgaande gelegenheden kwam ook nu weer de nadruk in de begrotingsaanpak op de modernizering van de sociale zekerheid te liggen. Met de gelijkschakeling van man en vrouw doet men iets in de pensioensfeer maar volstrekt onvoldoende om van een echte ombuiging van de trend te kunnen gewagen. Inzake gezondheidszorg gebeurt er zo goed als niets. Niet willen of niet kunnen ? Of beide ? Terwijl de dagelijkse pers eerder lauw op de begrotingsperikelen reageerde (zie ook Focus, p. 9), kwam er in de dagen voor het nieuws over de genomen maatregelen concrete vorm kreeg, een behoorlijk duwtje in de rug voor de regering. Het structurele overheidstekort van België, zo lieten Generale Bank-economen Guy Verfaille en Veerle Bauters middels een korte studienota weten, bedraagt amper nog 1,1 % van het BBP. Vermits het er alle schijn van heeft dat het concept structureel begrotingstekort ook een belangrijke rol zal gaan spelen in het stabilisatiepact dat de regels vastlegt inzake budgettaire discipline voor de landen die toetreden tot de Europese Monetaire Unie (EMU), getuigde de publicatie op dit vlak eveneens van goede timing. ARBITRAIR.Zonder er expliciet naar te verwijzen in hun studie hanteren Verfaille en Bauters de Oeso-methodolgie om het structureel overheidstekort af te leiden. Die Oeso-aanpak bestaat erin om eerst het zogenoemde potentiële BBP af te leiden, d.i. het nationaal product dat bereikt zou worden bij volledige benutting van de aanwezige productiefactoren. Zet men dit potentieel BBP af tegen het effectief gerealizeerde BBP, dan bekomt men de zogenoemde output gap, zijnde het stuk productie dat zich niet realiseerde als gevolg van een minder goede conjunctuur. De Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) geeft zelf in haar methodologische toelichting aan dat er aan deze berekening zoveel onzekerheden en eerder arbitraire keuzes vastzitten, dat eventuele conclusies met de grootste omzichtigheid behandeld dienen te worden. Die waarschuwing vanwege de Oeso is naar de GB-nota toe goed op haar plaats. Het structureel tekort gelijk aan 1,1 % van het BBP ligt immers, afgerond, 2 procentpunt lager dan het lopend tekort dat België in 1996 effectief zal realizeren. De output gap waar Verfaille en Bauters mee rekenen, is, conform de Oeso-berekeningen, 3,4 % van het potentieel BBP. Dit betekent dus dat zij ervan uitgaan dat, indien onze economie met 3,4 procentpunt meer zou groeien dan zijn trendgroei, het begrotingstekort 2 procentpunt lager zou liggen dan thans het geval is. In technisch jargon : de elasticiteit van de groei-boven-trendgroei naar het begrotingsdeficit toe ligt in de buurt van de 0,6 (3,4 x 0,6 geeft ongeveer 2). Rekent men de Oeso-gegevens erop na, dan kan men besluiten dat die trendgroei volgens de Oeso rond de 2,3 % ligt. Om de gehanteerde output gap toe te fietsen, zou onze economie dan één jaar met 5,7 % moeten groeien of twee jaar na elkaar met 4 % of nog : drie jaar na elkaar met 3,4 %. In de periode 1988-90 haalden we deze laatste prestatie en dit als gevolg van de ineenstorting van de olieprijzen en, meer nog, het aanzuigeffect van de Duitse eenmaking. Vermits, enerzijds, het hier om een eenmalige combinatie van groeistimulerende omgevingsfactoren ging en, anderzijds, dient te worden teruggegaan naar het prille begin van de jaren zeventig om nog zo'n cijferreeks inzake economische groei te vinden, ligt de conclusie voor de hand : de bewering als zou ons stuctureel begrotingstekort 1,1 % van het BBP bedragen neigt naar het arbitraire. In berekeningen als die van Verfaille en Bauters draait alles in essentie rond twee grootheden, nl. de output gap en de groei-deficit-elasticiteit. Daar waar zij respectievelijk 3,4 % en 0,6 hanteren, kan men een even goed beargumenteerde maar uiteindelijk ook even arbitraire berekening opbouwen rond een output gap van 2 % (dat ons land internationaal gezien steeds meer achterop hinkt qua groei valideert een neerwaartse herziening van de output gap) en een elasticiteit van 0,4 (zoals bepaalde overheidsinstanties effectief doen). Zo'n berekening levert voor 1996 een structureel overheidstekort op van 2,3 % en niet 1,1 %.OUDERWETS DEGELIJK.Vraag is dan ook of het niet veel zinvoller is voor de beoordeling van de begrotingspositie van een land om terug te grijpen naar het onderscheid tussen courante, lopende overheidsuitgaven en uitgaven voor investeringen. Petercam-econoom Geert Noels hanteert deze aanpak in de september-editie van Belgian Economy, de huispublicatie van Petercam. Volgens de ouderwets degelijke logica van oordeelkundig beheer van publieke financiën dienen de courante uitgaven steeds gedekt te worden door de belastinginkomsten. Voor de financiering van haar investeringen kan de overheid dan eventueel terugvallen op schulduitgifte, de achterliggende redenering zijnde dat verstandige investeringen zichzelf terugbetalen op termijn. Zoals bijgaande grafiek aangeeft, draaiden opeenvolgende regeringen tijdens de jongste 15 jaar het volume aan overheidsinvesteringen terug tot zowat 1,5 % van het BBP. Met een globaal deficit van 3 % betekent dit dat de Belgische overheid nog altijd courante uitgaven ten belope van 1,5 % van het BBP dekt met schulduitgifte. Om dit weg te werken, zou dus nog eens 120 miljard frank (1,5 % van het BBP) deficit "gewist" dienen te worden, en dit niet door de reeds belabberd lage investeringen nog verder in te krimpen. Johan Van Overtveldt JEAN-LUC DEHAENE In de begroting 1997 zit naar traditie geen enkele zinvolle stimuleringsmaatregel op fiscaal vlak noch inzake deregulering of investeringsklimaat.De Belgische overheid dekt nog steeds courante uitgaven ten belope van 1,5 % van het BBP (het laatste rode staafje) met schulduitgifte. Om dit weg te werken, zou nog eens 120 miljard frank deficit gewist dienen te worden, en dit niet door de reeds belabb