De Griekse eerste minister George Papandreou heeft de crisis in de eurozone in oktober 2009 op gang ge-trokken met de mededeling dat het tekort op de Griekse begroting voor 2009 niet op 6 procent zou uitkomen, maar op het dubbele. Ruim anderhalf jaar later toeft de eurocrisis nog altijd acuut in ons midden.
...

De Griekse eerste minister George Papandreou heeft de crisis in de eurozone in oktober 2009 op gang ge-trokken met de mededeling dat het tekort op de Griekse begroting voor 2009 niet op 6 procent zou uitkomen, maar op het dubbele. Ruim anderhalf jaar later toeft de eurocrisis nog altijd acuut in ons midden. Een favoriet argument van betrokken bewindslui, zoals onze minister van Financiën, Didier Reynders of Commissievoorzitter José-Manuel Barroso is dat het hier niet gaat om een crisis van de euro, maar om een crisis van landen met te grote schulden. Dat argument houdt geen steek. De moeilijkheden van het voorbije anderhalf jaar, en van de komende tijd, hangen innig samen de wijze waarop de monetaire unie in Europa opgezet werd. Centraal in de structurele constructiefouten van het eurohuis staat het gebrek aan politieke unie, noodzakelijk om de nodige convergentie in het economische beleid van de leden van de monetaire unie tot stand te brengen. Bij gebrek aan zo'n politieke unie en aan enig uitzicht daarop, moeten we werkbare alternatieven zoeken. Het Stabiliteitspact en de fameuze Lissabon-agenda om tot een competitieve Europese economie te komen, faalden compleet. De Duitse kanselier Angela Merkel en de Franse president Nicolas Sarkozy lanceerden begin februari hun competitiviteitspact voor de euro. Na erg negatieve reacties van onder meer onze ontslagnemende premier, Yves Leterme, kwam het Merkel-Sarkozy-pact op de schroothoop terecht. Op de top van eind maart fabriceerden de Europese leiders een alternatief dat helaas weinig voorstelt. In gezaghebbende publicaties verschenen zwaar negatieve reacties. Het weekblad The Economist omschreef het akkoord als iets dat het midden houdt tussen 'onzin en een mislukking', terwijl de Financial Times van 'een irrelevant pact' sprak. 'Ofwel herneemt het falende procedures, ofwel is het allemaal veel te vaag. ' Jean-Claude Trichet, die in oktober afscheid neemt als voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB), maakte op 23 februari tijdens een lezing aan de universiteit van Luik ongemeen scherp en afgelijnd duidelijk hoe hij de noodzakelijke governance voor de eurozone ziet. In tegenstelling tot klassieke speeches van centrale bankiers meed Trichet het wollige taalgebruik en de overmatig gekrulde zinnen. De ECB-topman deponeerde in Luik niets minder of meer dan het handboek dat we moeten volgen om de eurozone in stand te kunnen houden. Het valt ook op dat Trichet nergens in zijn speech zei dat hij in persoonlijke naam sprak. Dat houdt in dat hij de visie van de hele ECB-top ontvouwde. Trichet stelt het concept competitiviteit, gedefinieerd als "het vermogen van landen om te komen tot blijvende verhogingen van de levensstandaard en tot voldoende jobopportuniteiten voor de burgers binnen het gegeven van een open economie", centraal in het supervisiemechanisme dat er moet komen om het gebrek aan politieke unie zo goed mogelijk op te vangen. Alleen door de rigoureuze bewaking van het competitieve vermogen van alle lidstaten kunnen we grote onevenwichten en collectieve instabiliteit voor de eurozone vermijden. Zes kernindicatoren schuift Jean-Claude Trichet naar voren om de opvolging van de competitiviteit concreet te maken. De loonkosten per eenheid product, waarbij ook voldoende aandacht moet uitgaan naar de loonevolutie in overheidsdiensten en die in de beschermde sectoren van de economie; de globale buitenlandse schuld van een land (als % van het bbp); de inflatie; het deficit op de lopende rekening van de betalingsbalans (als % van het bbp); de ratio's in private en publieke schuld en de kredietverlening aan de private sector. Met deze indicatoren landt Trichet binnen het nieuwe raamwerk dat de Europese Commissie gelanceerd heeft om tot een beter bestuur binnen de Europese Unie te komen. In het macro-economisch toezicht taxeerde Trichet in Luik de Commissie-voorstellen als onvoldoende voor de eurozone. Op minstens vier punten wil hij een stuk verder gaan dan de Commissie. De vereiste tot convergentie in die eurozone maakt dat de concrete invulling van bovenstaande indicatoren strenger moet gebeuren voor de eurolanden dan voor de EU-lidstaten buiten de euro. Ten tweede wil Trichet niet weten van de zogenaamde symmetrische aanpak die de Europese Commissie voorstaat. Deze symmetrische aanpak houdt in dat er niet alleen bij verlies aan competitiviteit ingegrepen moet worden, maar ook bij excessieve winst aan concurrentievermogen. Trichet beschouwt dat laatste zonder het met evenveel woorden te zeggen als onzin. Alleen verlies aan concurrentievermogen moet aanzetten tot actie. Punt. Trichet wil ook een veel grotere mate van automatisme in het toezicht op de evolutie van de kernindicatoren. De ECB-topman laat er niet de minste twijfel over bestaan dat het moet gedaan zijn dat de politiek kan teruggevallen op uitzonderlijke omstandigheden of andere goedkope excuses om afwijkingen van de normen blauwblauw te laten. Als vierde verstrenging wil Trichet een versnelling van de bestraffing van de landen die de regels met de voeten treden. Het spreekt voor zich dat de Trichet-bijbel voor het beleid van de eurozone veel verder gaat dan waar de Europese politici toe in staat zijn. Verregaand verlies aan nationale beslissingsbevoegdheid ligt onherroepelijk besloten in het Trichet-pact voor de euro. Stilaan maar zeker zou het tot de politieke elite moeten doordringen dat, als ze de eurozone intact wil houden, er maar weinig variaties op de Trichet-voorstellen mogelijk en werkbaar zijn. Het is een enorme verdienste van Trichet dat hij in deze vaak al warrige discussie nu een heel duidelijke lijn getrokken heeft. Voor een speech van een centraal bankier van het gehalte van Trichets discours in Luik moeten we meer dan acht jaar teruggaan in de tijd, naar 21 november 2002 toen Ben Bernanke voor de National Economists' Club in Washington een historische uiteenzetting hield. De lezing van Bernanke, die toen pas enkele maanden tot het directiecomité van de Amerikaanse centrale bank (Fed) behoorde, ging onder de titel: 'Deflation: Making Sure 'It' Doesn't Happen Here'. De speech leverde hem de bijnaam Helikopter Ben op, de man die vanuit een helikopter vers gedrukt geld uitstrooit boven de economie. Om een herhaling van het Japanse verloren decennium te voorkomen, gekenmerkt door deflatie en economische achteruitgang in de VS, gebruikte Bernanke het monetaire beleid als een krachtig en effectief instrument. Zelfs nadat de nominale rentevoeten naar 0 procent zouden gebracht zijn, bevinden zich nog diverse interventiemechanismen in de gereedschapskoffer van de centrale bankier. In zijn speech ging Bernanke in op dat bijkomende instrumentarium dat we ondertussen leerden kennen als de technieken van de kwantitatieve versoepeling (QE). Bij QE blaast de centrale bank haar balans op door activa aan te kopen (staatspapier, vastgoedwaarden, enzovoort) met als doel de creatie van liquiditeiten. Zes jaar na Bernankes speech in Washington brak de financiële crisis los en dreigde een diepe financiële crisis en zware deflatie. Meteen kon de professor van Princeton University zijn ideeën geformuleerd in de Washington-speech in de praktijk brengen. Het staat buiten kijf dat deze Bernanke-ingrepen vanwege de Fed een belangrijke rol speelden in het stoppen van de meltdown van de wereldeconomie tegen de lente van 2009. Of hij en de rest van de wereld vlot gaan wegkomen met de erfenis van de QE-ingrepen, blijft voorlopig een open vraag. JOHAN VAN OVERTVELDTAlleen door de rigoureuze bewaking van het competitieve vermogen van alle lidstaten kunnen we grote onevenwichten en collectieve instabiliteit vermijden.