Een kleine twee jaar geleden verraste de paarse regering vriend en vijand met een volledige herziening van het btw-stelsel van de overheid. Een zekere aanpassing was weliswaar nodig nadat het Grondwettelijk Hof vraagtekens had geplaatst bij de manier waarop overheidsinstellingen in een aantal gevallen als btw-plichtigen werden aangemerkt. Maar de hervorming ging veel verder. In vergelijking met vroeger werden veel meer overheidsinstellingen 'in beginsel' als btw-plichtigen aangemerkt.
...

Een kleine twee jaar geleden verraste de paarse regering vriend en vijand met een volledige herziening van het btw-stelsel van de overheid. Een zekere aanpassing was weliswaar nodig nadat het Grondwettelijk Hof vraagtekens had geplaatst bij de manier waarop overheidsinstellingen in een aantal gevallen als btw-plichtigen werden aangemerkt. Maar de hervorming ging veel verder. In vergelijking met vroeger werden veel meer overheidsinstellingen 'in beginsel' als btw-plichtigen aangemerkt. Als regel geldt nog steeds dat overheidsinstellingen die 'als overheid' optreden, niet de hoedanigheid hebben van btw-plichtige. In afwijking daarvan worden zij voortaan wel als btw-plichtige aangemerkt als een behandeling als niet-btw-plichtige concurrentieverstorend werkt. Zij worden daarnaast (zoals voorheen) ook als btw-plichtigen aangemerkt als zij welbepaalde handelingen stellen (leveren van goederen en verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, goederen- en personenvervoer, enzovoort). De lijst van deze handelingen stond vroeger te lezen in een koninklijk besluit. Na de kritiek van het Grondwettelijk Hof is de lijst nu in lichtjes gewijzigde vorm opgenomen in het btw-wetboek zelf. Tot zover geen (grote) problemen. Maar, zoals gezegd, ging de hervorming nog veel verder. Voortaan zouden overheidsinstellingen ook nog in tal van andere gevallen principieel als btw-plichtigen worden aangemerkt. Dit zou met name automatisch het geval zijn telkens zij handelingen onder bezwarende titel verrichten, waarvoor artikel 44 van het btw-wetboek in een vrijstelling van belasting voorziet (exploitatie van een zwembad, een bibliotheek, een ziekenhuis, enzovoort). Zij zouden dan voor die handelingen niet langer als niet-btw-plichtigen worden aangemerkt, maar wel als vrijgestelde btw-plichtigen. Op het eerste gezicht is er geen verschil. Maar in werkelijkheid is het verschil heel groot. Een overheidsinstelling die als niet-btw-plichtige wordt aangemerkt, heeft op enkele uitzonderingen na geen btw-verplichtingen. Wordt zij daarentegen aangemerkt als een vrijgestelde btw-plichtige, dan heeft zij plots wel verschillende btw-verplichtingen. Een daarvan, en niet de geringste, betreft de verplichting om btw te voldoen op het eigen werk in onroerende staat. Een gemeente die bijvoorbeeld een bibliotheek exploiteert en die aan het gebouw werken laat uitvoeren door personeel van de gemeente, zou dus in de nieuwe regeling op dat zelf uitgevoerde werk btw moeten betalen. Waarom? Als een gemeente een beroep doet op een externe aannemer om werken uit te voeren, dan moet zij zonder meer btw betalen. Voert zij het werk zelf uit, dan moest zij tot nog toe geen btw betalen. Bekeken vanuit de externe aannemer zou men dit als een vorm van concurrentieverstoring kunnen beschouwen. De aannemer krijgt vanwege de gemeente geen opdrachten, omdat zij het werk goedkoper (want zonder btw) door eigen personeelsleden kan laten uitvoeren. Door de gemeente in de gegeven omstandigheden het statuut te geven van vrijgestelde btw-plichtige zou dit probleem van de baan zijn. Want ook vrijgestelde btw-plichtigen moeten (net zoals gewone btw-plichtigen) btw voldoen op het werk in onroerende staat dat zij zelf uitvoeren. Veel steden en gemeenten schrokken zich een hoedje. De hervorming van het btw-stelsel ging hen, onder meer door de nieuwe regeling inzake eigen werk in onroerende staat aanzienlijk meer kosten. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd daarom stevig gelobbyd om de nieuwe regeling alsnog bij te sturen. Volgens de regering was de hervorming nodig om het btw-stelsel van de overheid beter in overeenstemming te brengen met de Europese spelregels. Daar werd tegen ingebracht dat de hervorming verder ging dan Europa eist en dat zij daardoor de steden, gemeenten en andere overheidslichamen onnodig op kosten zou jagen. Maar dat mocht niet baten. De regering hield voet bij stuk. Maar ook de - in hoofdzaak lokale - overheden wilden van geen wijken weten. Zij kregen gedaan dat de inwerkingtreding van de nieuwe regeling de facto al twee keer werd uitgesteld. Tot eind dit jaar. Met dien verstande dat van dit uitstel nu uiteindelijk afstel komt. De regeringen van het Waalse en Brusselse gewest trokken immers naar het Grondwettelijk Hof en kregen daar gelijk. Volgens het Hof biedt de Europese btw-richtlijn geen basis om overheidsinstellingen die als overheid optreden, automatisch als (vrijgestelde) btw-plichtigen aan te merken, zodra zij handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het btw-wetboek vrijgesteld zijn van btw (ziekenhuizen, bibliotheken, enzovoort). Het Hof besliste daarom de nieuwe regeling op dit punt te vernietigen. Met ingang van volgend jaar. Meteen is daarmee ook het probleem van de btw op het zelf door steden en gemeenten uitgevoerde werk in onroerende staat aan hun bibliotheken, zwembaden, ziekenhuizen, enzovoort van de baan en kan de rust op het btw-front weerkeren.(T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOGJan Van Dyck