Het verleggen van genregrenzen is niet nieuw voor Stefan Hertmans (1951). Zijn roman Naar Merelbeke (1994) biedt te weinig intrige om zomaar als roman geboekstaafd te worden, maar geeft tegelijk een ironisch commentaar op zowel de heimatliteratuur als de nostalgische recherche du temps perdu. Finaal rest er vooral een beschouwing over Hertmans' hoofdbekommernis: de eeuwige worsteling tussen taal en werkelijkheid. Enerzijds blijkt taal niet bij machte om de werkelijkheid gestalte te geven, anderzijds is ze sterk ge...

Het verleggen van genregrenzen is niet nieuw voor Stefan Hertmans (1951). Zijn roman Naar Merelbeke (1994) biedt te weinig intrige om zomaar als roman geboekstaafd te worden, maar geeft tegelijk een ironisch commentaar op zowel de heimatliteratuur als de nostalgische recherche du temps perdu. Finaal rest er vooral een beschouwing over Hertmans' hoofdbekommernis: de eeuwige worsteling tussen taal en werkelijkheid. Enerzijds blijkt taal niet bij machte om de werkelijkheid gestalte te geven, anderzijds is ze sterk genoeg om zelf een wereld te creëren. De gedichten uit zijn bundel Francesco's paradox (1995) flirten veeleer met toneelscènes, deze uit Muziek voor de overtocht (1994) leunen haast aan bij het essay. Met zijn jongste boek Steden lijkt Hertmans reisreportages aan te bieden over steden als Sydney, Tübingen, Trieste, Dresden, Wenen en Marseille. Maar verwacht vooral geen gids. Hertmans neemt je niet bij de hand, zijn rondgang helt algauw over naar beschouwing en vooral essay. Niet dat hij sfeer en de steden zelf onbelangrijk vindt, maar hij lijkt geregeld in heel andere confrontaties geïnteresseerd. Die aanvaringen zijn ook verkenningen. Ze monden op hun beurt uit in een paradox: terwijl hij juist niet de gebruikelijke reisbeschrijvingen aanreikt, spelen de steden mettertijd een dominante rol. Zulke evenwichtsoefeningen lijken het handelsmerk van Hertmans. Het vreemde daarbij is dat zijn koorddansen op de eerste plaats voortspruit uit inhoudelijke bravoure, terwijl vele van zijn confraters hun toevlucht zoeken in vormelijke acrobatiek. Deze vaststelling brengt ons bij een volgende paradox: Hertmans is een denker, een tobber zelfs. Hij moet het hebben van het cerebrale. Toch wordt hij zelden droogstoppelig. Behendig ontwijkt hij het klinische. Eenzelfde evenwichtskunst haalt hij uit met persoonlijke ingrediënten. Sporadisch dient hij een snuifje toe, waardoor het werk een persoonlijk odeur krijgt, een aspect dat algauw op een veilige afstand geduwd wordt. Hertmans is geen exhibitionist. Hij schudt de lezer de hand, maar zoent hem of haar niet.Het persoonlijke in Steden schuilt onder meer in de bekentenis dat dit boek "me zelf iets moest leren verduidelijken over mijn plaats in de wereld." In Marseille maakt hij dit wat concreter, omdat hij er in de voetsporen reist van zijn vader, die er tijdens de oorlog belandde. Maar meestal staat het culturele eerst. Hij reist met een bibliotheek op de rug, vertoeft onder meer in de schaduw van Hölderlin. "Je moet in de omgeving van het enigszins benepen Zuid-Duitse stadje Tübingen rondgelopen hebben om te beseffen hoezeer dit verraderlijk gelukkige, zuivere beeld van de Duitse natuur en de kleinsteedse menselijke geborgenheid de dichter Friedrich Hölderlin tot een overspannen, razende mens hebben gemaakt." Benepenheid is nochtans net wat Hertmans wil ontvluchten in de steden. Zijn rondgang is niet vrijblijvend. Meulenhoff/Kritak, 256 blz., 738 fr. LUC DE DECKER