Ik ben geboren in 1946 en zoals al mijn leeftijdsgenoten een zondagskind. In Bierbeek leerde ik als boerenjongen omgaan met paarden, koeien melken, hazen schieten. Mijn vader was onderwijzer. Mijn beide ouders werkten hard, waren afstandelijk katholiek en ik bleef kerks tot 1966."
...

Ik ben geboren in 1946 en zoals al mijn leeftijdsgenoten een zondagskind. In Bierbeek leerde ik als boerenjongen omgaan met paarden, koeien melken, hazen schieten. Mijn vader was onderwijzer. Mijn beide ouders werkten hard, waren afstandelijk katholiek en ik bleef kerks tot 1966." "In dat jaar studeerde ik politieke en sociale wetenschappen aan de Katholieke Universiteit van Leuven. De slogan 'Walen Buiten' was in zwier en de verlinksing begon. Ik verdien het label 'studentenleider' niet. In 1970 was ik hoofdredacteur van het progressieve blad Universitas. Dat is onder mijn leiding gekapseisd. Toen wij een nummer maakten met de namen van de voorbehoeds-middelen, draaide de raad van bestuur, met daarin de oude kanunnik Dondeyne, de geldkraan dicht." "Ik schreef mijn thesis over de Franse marxistische filosoof Louis Althusser bij Etienne De Jonghe, secretaris-generaal van de universiteit. De voorbereiding ging prima. Tot ik in Universitas een stuk schreef over de banden tussen de universiteit, de Generale Bank, waar de professor in een lokale raad zat, en de drukkerij Ceuteryck, waar de professor bestuurder was. De informatie was correct, de toon scherp. Onze relatie is dan verziekt, waardoor ik een getuigschrift van tweede licentie ontving, geen serieus ezelsvel. Ik heb het ook nooit echt nodig gehad." "Wij lazen Marcuse, Adorno, Foucault, Althusser. Ik was in Parijs in mei '68 en sliep op een zolder in de Sorbonne. Parijs was voor mijn generatie een baken. Vietnam heeft ons verlinkst, plus de ontdekking dat 'Walen Buiten' een gelukte poging was van de opkomende Vlaamse elite rond de Kredietbank om de Franstalige elite aan de Leuvense universiteit rond de Generale Bank te verdringen. De studenten speelden de rol van figurant van de Vlaamse elite." "Tijdens mijn studies werkte ik voor De Nieuwe Gids en Spectator. Hoofdredacteur Frans Van Erps werd een van de heel belangrijke mensen in mijn leven. Na mijn militaire dienst heb ik meegedraaid als zelfstandig journalist, tot ik mijn eerste betaling zag. Mijn partner van toen en ik besloten de fabriek in te trekken. Bij Bayer in Antwerpen was ik zes jaar arbeider, afgevaardigde voor het ABVV en militant van Amada. Bij twee wilde stakingen heb ik de piketten aan een belangrijke poort geleid. In de hiërarchie van Amada ben ik nooit hoger geraakt dan celleider. Ik was een soldaat en voelde mij steeds onbehaaglijker in de organisatie. De standpunten waren soms ( zegt met grote nadruk) waanzinnig. Een minister van Defensie werd gefusilleerd in Albanië, omdat hij over de relatie tussen China en Rusland een fout standpunt had, en Amada zag daar geen graten in. Toen heb ik ermee gekapt. Mijn partner en ik zijn netjes uit elkaar gegaan en ik ben een nieuw leven begonnen." "Van 1979 tot 1985 was De Morgen mijn professionele thuis. Ik zag opnieuw mijn Leuvense vrienden op de redactie, Paul Goossens natuurlijk en Walter De Bock. De scheiding van de geesten tussen De Morgen en mij begon in 1982 met de rakettenbetoging. Ik vond het onverstandig dat De Morgen zonder enige afstandelijkheid achter de antitrakettenbeweging stond. Een krant moet informeren over alle standpunten, en voorzichtig zijn met mobiliseren. Je voelde hoe Wilfried Martens en Karel Van Miert onder zeer zware druk stonden, dat de actie wankelde en dat daardoor ook de krant zou verliezen. Zeven jaar later ontdekte je in welke geopolitieke context de raketten pasten en dat de Sovjet-Unie wellicht geïmplodeerd is door de bewapeningswedloop uitgelokt door het westen." "In die tijd heb ik de Wetstraat goed leren kennen. Bij De Morgen was ik verantwoordelijk voor alles met cijfers. De begroting, de sociale zekerheid of het fameuze Coo- reman-Declercqbesluit, dat was allemaal voor mij. In 1979 begon de Amerikaanse centrale bankier Paul Volcker de inflatie te temmen, de rentevoeten daalden en ik kon de toekomstige dividendenstroom berekenen. Ik wist dus: hier zit meerwaarde aan te komen. Ik begon mij te interesseren voor de beurs, wat voor links not done was. Na de devaluatie van de Belgische frank in 1982 kocht ik mijn eerste aandeel. In 1985 hield ik het bij De Morgen bekeken, ook wegens de rare geldstromen en de slordige bedrijfsvoering." "Ik stapte over naar De Belegger. Jan Lamers, uitgever van De Financieel-Economische Tijd, zag mij daar bezig en zei: 'Paul, jij kunt beter bij de krant werken.' In 1987 stortte de beurs in. Het was verrijkend om samen te werken met Luc Van Hecke, nog altijd een goede vriend. In 1988 volgde de overval op de Generale Maatschappij. Marc Janssens van De Standaard, Beatrice Delvaux van Le Soir, Luc en ik volgden dat conflict dag en nacht. We hebben hard gewerkt, veel geleerd en belden tot in de kleine uurtjes rechtstreeks met Maurice Lippens." "Ik was 44 en begreep, als ik ooit iets anders wil doen, dan is het nu of nooit. Bij De Tijd was ik de eerste om 's avonds te bellen met de beurshuizen. De Brusselse werden toen vernederlandst. Vennoot Henri Servais van makelaar Dewaay Servais zocht een adjunct en nam mij in dienst. Dewaay was een zeer discreet huis. Ik weet niet wat ik geworden zou zijn, mocht ik daar gebleven zijn. Ik begon me er snel te vervelen, de beslissingen vielen ontzettend traag." "Daarop kwam Jan Lamers weer op de proppen. Jan was een visionair bedrijfsleider, maar miste de dagelijkse hands-on aanpak. Ik was blij met het voorstel van Jan om algemeen directeur te worden. De Tijd surfte op de beursboom en groeide negen jaar lang met gemiddeld 23 %. Het was niet zo moeilijk om De Tijd in die periode te leiden. Ondanks onze voorhoederol verloor De Tijd geen geld met electronic publishing. Door de verkoop van de webbouwer Net.it.be aan Alcatel werden alle aanloopverliezen ruim uitgewist en dochter Tijd Beursmedia (TBM) werd begin 2008 voor 7 miljoen euro verkocht. Mediafin, de constructie boven De Tijd en L'Echo, heeft in totaal 8 à 9 miljoen euro uit de verkoop van de elektronische activiteiten van Tijd geïncasseerd, veel meer geld dan we ooit hebben verloren." "Ik ben wel trots op het Vlaams-Nederlandse TBM-verhaal. Eind jaren negentig verzorgden we de site van de Amsterdamse effectenbeurs, we innoveerden met de koepelsite Belgium On Line, met de sector- indices van Eurobench, met audiotex bij Paratel en met realtime streaming over het tv-signaal en over het internet. Razend interessant, maar ik werd te sterk afhankelijk van mijn informatici. Ik wilde eruit. De tweede reden voor mijn vertrek waren de verkooponderhandelingen van eind 2000. De Tijd moest, vonden we, in een grotere groep terechtkomen. Van de drie biedingen kozen we de combinatie Persgroep-Roularta, met een bod van 65 miljoen euro. Ik vond dat alles netjes was doorgenomen met de raad, de redactie, de vakbonden. Ik dacht: 'Het zal lukken, dit wordt een Vlaams mediafeest'. Maar de operatie is gestopt door de erevoorzitters van hoofdaandeelhouder VEV om redenen waar ik alleen naar kan gissen. Ik ben zonder bitterheid vertrokken. Zeven jaar later werd De Tijd voor net iets meer dan de helft van het eerdere bod verkocht aan de Persgroep en het Franstalige Rossel." "Ik was in 2002 moe. Ik kreeg verschillende aanbiedingen, maar heb er geen enkele aangenomen. Ik ben opnieuw beginnen schrijven, met Koen De Leus aan 'Naar Grijsland', met Hendrik Cammu aan 'An Apple a Day', en daarop aan het boek over de NMBS. Ik ben ontgoocheld door de ontvangst van dat boek en door de dikhuidigheid van Etienne Schouppe. Hij heeft nooit toegegeven 'met ABX ben ik zwaar uit de bocht gegaan'. Terwijl dat stuitend evident is." "Sinds november ben ik voorzitter van de Vlaamse Federatie van Beleggingsclubs en Beleggers, waar ik veel oude kennissen en vrienden terugvind. Dat doe ik graag, dat ligt me wel. En sedert een jaar werk ik aan een veel moeilijkere opdracht, de redactie van de vroege dagboeken van Hugo Schiltz. Ik ben daarvoor gevraagd, ook omdat ik weinig affiniteit heb met de Vlaamse Beweging. De familie Schiltz wou niemand uit de Vlaams-nationale stal en vandaag begrijp ik waarom. Men kan daar soms moeilijk afstand nemen en nu en dan zijn er verborgen agenda's." "Ik beperk mij voorlopig tot de periode 1941-'54. Ik las Hugo's 1,5 miljoen tekens en 200 gedichten uit die tijd. Meer dan de helft moet ik schrappen, de integrale dagboeken verschijnen wellicht op het internet. Ik heb de opdracht aanvaard na lectuur van Les Bienveillantes van Jonathan Littell. Mocht ik in Kiel in 1933 rechten hebben gestudeerd, zoals de hoofdpersoon in dat schitterende boek, dan zou ik bij de Sicherheitsdienst zijn terechtgekomen, zo misschien de SS zijn ingerold en in Oekraïne zijn opgedoken. En gedaan hebben wat daar gebeurd is? Wanneer zou ik afgehaakt hebben? Zou ik afgehaakt hebben? Met Hugo Schiltz, die negentien jaar voor mij ter wereld kwam, schets ik straks hoe een zwart adolescent een overtuigd democratisch politicus wordt. Het leven is fascinerend." (T)