Vele ontwikkelingslanden hebben de jongste decennia hun welvaart niet kunnen opkrikken. Nochtans beschikken tal van hen over een overvloedige schatkamer aan grondstoffen, die ze bovendien tegen meer dan degelijke prijzen te gelde hadden kunnen maken. Olierijke landen als Nigeria en Venezuela zijn de afgelopen 25 jaar zelfs armer geworden. Andere zoals Mexico hebben veel van hun potentieel verkwist. Rusland is het meest schrijnende voorbeeld van een grondstofrijke economie die er weinig van terechtbrengt.
...

Vele ontwikkelingslanden hebben de jongste decennia hun welvaart niet kunnen opkrikken. Nochtans beschikken tal van hen over een overvloedige schatkamer aan grondstoffen, die ze bovendien tegen meer dan degelijke prijzen te gelde hadden kunnen maken. Olierijke landen als Nigeria en Venezuela zijn de afgelopen 25 jaar zelfs armer geworden. Andere zoals Mexico hebben veel van hun potentieel verkwist. Rusland is het meest schrijnende voorbeeld van een grondstofrijke economie die er weinig van terechtbrengt.Aaron Tornell en Philip Lane ( Centre for Economic Policy Research) trachten dit tragische fenomeen te verklaren. Volgens hen hebben deze samenlevingen één ding gemeen: verschillende machtige belangengroepen (gaande van regionale regeringen tot vakbonden of industriële conglomeraten) hebben er de handen vrij in een zwak wettelijk-politiek kader (de eigendomsrechten zijn bijvoorbeeld onzeker). In goed geordende economieën belemmert een wettelijk kader dat machtige belangengroepen zo maar middelen wegkapen ten koste van de rest van de samenleving. Ontbreekt dit kader, dan kunnen zij wel het fiscale wapen in hun voordeel hanteren en de belastingdruk opvoeren. Elke belangengroep beseft wel dat men in het eigen vlees snijdt als die belastingdruk te sterk oploopt: dat fnuikt de investeringen en de groei. De productieve economie, de kip met de gouden eieren, verdient dus de nodige bescherming. Maar hier duikt een klassiek probleem van collectieve actie op: elke groep redeneert dat de andere groepen wel niet te veel zullen belasten, en dat de eigen groep dus ongestoord haar gang kan gaan. Het resultaat is uiteraard een onredelijk hoge belastingdruk en een zeer zwakke economische groei. Tornell en Lane hebben het over het "schrokkigheidseffect." Destructief voor de groei is vooral een polarisatie tussen twee belangengroepen: elke groep wil zoveel mogelijk fiscale ontvangsten en tracht de last door te schuiven naar de andere groep. In het geval dat er verschillende groepen de lakens uitdelen, is er tenminste nog het besef dat de koek moet verdeeld worden, wat tot enige matiging aanzet.Een mooie illustratie van dit schrokkigheidsfenomeen zien we als een land hogere exportinkomsten boekt. Elke groep ziet dan immers zijn kans schoon om de belastingen verder op te drijven. Maar daardoor stijgt de totale belastingdruk veel meer dan de extra exportinkomsten en is het land er uiteindelijk slechter aan toe.In de jaren zeventig bijvoorbeeld, toen de grondstofprijzen door het dak gingen, bezondigden vele olieproducerende landen zich aan uitgavenbraspartijen, megalomane projecten, of het opbouwen van buitenlands vermogen buiten het bereik van binnenlandse belastingen. Sommige slaagden er zelfs in een handelstekort te boeken in tijden van fors hogere exportontvangsten.Aaron Tornell and Philip Lane, Voracity and Growth. Center for Economic Policy Research, Discussion Paper No. 2001Tel. (00-44) 171.878.2900.