In 2007, net voor het uitbreken van de financiële crisis, bereikte de uitzendsector een hoogtepunt. 540.856 uitzendkrachten presteerden samen 187 miljoen uren. Sindsdien ging deze zeer conjunctuurgevoelige sector door een zware storm. De uitzendbranche is nog altijd niet hersteld van de Grote Recessie van 2008 en 2009. In 2013 lag het volume aan uitzendarbeid nog altijd 13 procent onder het niveau van 2007. In voltijdse equivalenten spreken we over een inlevering van 12.646 uitzendkrachten (zie grafiek Evolutie van het aantal uitzendkrachten). Ook de penetratiegraad (de verhouding van de uitzendkrachten ten opzichte van de loontrekkende tewerkstelling) ligt nog altijd onder het niveau van voor de crisis: in 2007 was de penetratiegraad in voltijdse equivalenten 3,42. Ze daalde in 2009 tot 2,59 om in 2013 opnieuw toe te nemen tot 2,95.
...

In 2007, net voor het uitbreken van de financiële crisis, bereikte de uitzendsector een hoogtepunt. 540.856 uitzendkrachten presteerden samen 187 miljoen uren. Sindsdien ging deze zeer conjunctuurgevoelige sector door een zware storm. De uitzendbranche is nog altijd niet hersteld van de Grote Recessie van 2008 en 2009. In 2013 lag het volume aan uitzendarbeid nog altijd 13 procent onder het niveau van 2007. In voltijdse equivalenten spreken we over een inlevering van 12.646 uitzendkrachten (zie grafiek Evolutie van het aantal uitzendkrachten). Ook de penetratiegraad (de verhouding van de uitzendkrachten ten opzichte van de loontrekkende tewerkstelling) ligt nog altijd onder het niveau van voor de crisis: in 2007 was de penetratiegraad in voltijdse equivalenten 3,42. Ze daalde in 2009 tot 2,59 om in 2013 opnieuw toe te nemen tot 2,95. In een bijdrage in een boek naar aanleiding van vijftig jaar Randstad in België (zie kader Vijftig jaar uitzendarbeid in België) gaat Paul Verschueren, directeur Research & Economic Affairs van de sectorfederatie Federgon, op zoek naar de oorzaken van deze evolutie. Blijkbaar laten de naweeën van de financieel-economische crisis zich nog altijd voelen en dat heeft een direct effect op de zeer conjunctuurgevoelige uitzendsector. Verschueren brengt ook andere oorzaken aan. Dat de verhouding van het aantal uitzendkrachten ten opzichte van de totale tewerkstelling nog niet het pre-crisisniveau heeft bereikt, heeft om te beginnen te maken met het succes van het stelsel van de dienstencheques. Dat stelsel staat in voor meer dan 150.000 banen, meer dan 98.000 omgerekend in voltijdse equivalenten. De dienstenchequesector was tussen 2003 en 2013 goed voor nagenoeg 45 procent van de aangroei van de loontrekkenden. Maar in de dienstenchequesector zijn geen uitzendcontracten mogelijk. Dat betekent dat de groei van de dienstenchequesector een positieve impact heeft gehad op de loontrekkende tewerkstelling als geheel, maar niet op het segment van de uitzendtewerkstelling. De jobs in de dienstenchequesector hebben de penetratiegraad van de uitzendarbeid negatief beïnvloed. De tweede oorzaak zijn de regeringsmaatregelen die na de crisis van 2008 zijn genomen om de werkgelegenheid op peil te houden. Het uitbreiden van het stelsel van tijdelijke werkloosheid was bijvoorbeeld een handige manier om de vernietiging van klassieke jobs tegen te gaan. Maar tegelijk bloedde de uitzendmarkt. In 2008 en 2009 kromp de sector met respectievelijk 3,41 en 22,18 procent. Bedrijven hebben toen in een nooit gezien tempo tijdelijke contracten en uitzendcontracten stopgezet. Het aandeel van uitzendwerk in de totale tewerkstelling nam af. Paul Verschueren wijst er in zijn studie ook op dat het economische weefsel van een regio sterk bepaalt in welke mate uitzendkrachten worden ingezet. De inzet van uitzendkrachten varieert sterk van sector tot sector, en ook dat staat los van conjuncturele schokken zoals de Grote Recessie van 2008-2009. In landen of regio's waar het gewicht van de industrie relatief groot is, zullen er meer uitzendkrachten zijn, aangezien die altijd sterk vertegenwoordigd zijn in de metaalindustrie, de chemie en de voedingsindustrie. In België is het aandeel van deze industriële branches in de uitzendactiviteit aanzienlijk groter dan in het geheel van de loontrekkende tewerkstelling. Uitzendarbeid is dan weer ondervertegenwoordigd in de financiële sector en de social profit (zie grafiek Aandeel sectoren in uitzendarbeid en loontrekkende werkgelegenheid in de privésector). De jongste tien jaar is het aandeel van de industrie in de Belgische economie afgenomen. Tegelijk is het aantal jobs in de socialprofitsector sinds 2004 toegenomen met 137.000 personen en is het de grootste sector volgens tewerkstelling (489.000 personen) geworden. Paul Verschueren: "Hoewel het aantal uitzendkrachten ook hier sterker dan gemiddeld is toegenomen, blijft het een marginale gebruiker van uitzendarbeid." Het gewijzigde DNA van de Belgische arbeidsmarkt is een van de verklaringen waarom de groeimotor van de uitzendsector sputtert. Een element dat Paul Verschueren niet vermeldt, maar dat volgens arbeidsmarktexperts ook een rol speelt in het plafonneren van de uitzendmarkt is de opkomst van andere flexibiliteitsvormen zoals het gebruik van freelancers of zelfstandige arbeid en onderaanneming. Die vormen zijn veel minder gereglementeerd. Bij aanneming en het zelfstandig statuut is gelijk loon voor gelijk werk bijvoorbeeld niet gewaarborgd. Zelfstandigen kunnen 'onder de prijs' werken. Bedrijven doen almaar vaker een beroep op deze andere vormen van flexibiliteit. En dan hebben we het niet alleen over Oost-Europese bouwvakkers die hier via onderaanneming aan de slag zijn. Belgische bedrijven huren ook hooggeschoolde IT'ers via dat kanaal in. Ondanks de concurrentie van aanneming of zelfstandige activiteit blijkt uitzendarbeid wel een belangrijke factor in de Belgische arbeidsmarkt van de 21ste eeuw. De Belgische penetratiegraad bevindt zich boven het Europese gemiddelde. Uitzendarbeid heeft zijn staat van genade blijkbaar achter de rug, maar zal altijd een aantrekkelijk flexibiliseringinstrument blijven. Ondernemingen blijven op zoek naar uitzendkrachten voor uitzonderlijk werk, om het hoofd te bieden aan tijdelijke vermeerdering van werk, of om afwezige medewerkers te vervangen. Maar in België is uitzendarbeid ook en vooral een belangrijk kanaal om werknemers op termijn naar een job te loodsen. Het gebruik van uitzendkrachten met het oog op een vaste aanwerving is zeer populair. Volgens Verschueren is het aandeel vacatures van uitzendkantoren bij de VDAB een belangrijke indicator. In 2013 ontving de VDAB minder vacatures in het zogenaamde Normaal Economisch Circuit (227.714), de klassieke jobs dus, dan uitzendvacatures (253.764). Onderzoeken hebben aangetoond dat meer dan 30 procent van de werknemers in de industrie een uitzendcontract hadden voor ze vast werden aangeworven. Absolute koplopers zijn de voedingsindustrie en opslag en logistiek, waar de uitzendsector goed is voor respectievelijk 33 en 36 procent van de instroom. Er is bovendien sprake van een 'draaischijffunctie'. De uitzendsector zorgt voor de hertewerkstelling van een aanzienlijk deel van de werkkrachten die uit andere sectoren uitstromen. Op die manier blijft uitzendarbeid een van de belangrijkste flexibiliteitsinstrumenten op een Belgische arbeidsmarkt die nog altijd als relatief rigide bekendstaat. ALAIN MOUTONHet gewijzigde DNA van de Belgische arbeidsmarkt is een van de verklaringen waarom de groeimotor van de uitzendsector sputtert.