De ziedende aandelenmarkt en de dubbelcijferige groei maakten van 2007, het Jaar van het Zwijn, een uitstekend jaar voor de Chinese economie. En ook het volgende Jaar van de Rat oogt veelbelovend. De hausse zal zeker aanhouden, al was het maar omdat China het olympische feestje door niets of niemand wil laten bederven.
...

De ziedende aandelenmarkt en de dubbelcijferige groei maakten van 2007, het Jaar van het Zwijn, een uitstekend jaar voor de Chinese economie. En ook het volgende Jaar van de Rat oogt veelbelovend. De hausse zal zeker aanhouden, al was het maar omdat China het olympische feestje door niets of niemand wil laten bederven. Maar wat na de Spelen? Heel wat waarnemers maken er zich zorgen over dat de economie met een klap weer op de aarde zal terugkeren. China, zo zeggen ze, heeft al te lang al te snel gegroeid, aangevuurd door de kunstmatig zwak gehouden munt. Ze wijzen erop dat de inflatie al toegenomen is en dat de vraag naar Chinese exportproducten zal te lijden krijgen onder de vertraging in Amerika, waar de protectionistische reactie tegen China wel eens een kwalijke wending zou kunnen nemen. In werkelijkheid is China echter sterk genoeg om hoe dan ook door te stomen, maar het zal een aantal fundamentele beleidslijnen moeten herkalibreren wil het zijn stuwkracht behouden. De inflatie baart zorgen. Mogelijk staat daarbij niet alleen het prijsconcurrerend vermogen van China op het spel, maar ook zijn deflatoire rol in de wereldeconomie. China, zo vrezen sommigen, zou wel eens kunnen omslaan van een deflatie-exporteur tot een inflatie-uitvoerder. In 2007 brachten de snel stijgende prijzen van varkensvlees en eieren de overheid ertoe om stabiliserend in te grijpen (de leiders in Beijing zijn er zich nadrukkelijk van bewust dat voedingsprijzen gelinkt zijn aan maatschappelijke stabiliteit). Velen vermoeden dat de zaken er slechter voorstaan dan de officiële cijfers doen uitschijnen omdat essentiële uitgaven voor levensonderhoud, zoals gezondheidszorg en onderwijs, niet adequaat opgenomen worden in de berekening van de inflatie. Er bestaan echter goede redenen om aan te nemen dat China de inflatie kan intomen. In de eerste plaats stijgt de productiviteit snel. Galopperende inflatie in China zou gevoeld moeten worden in het buitenland, maar in de Verenigde Staten is de prijsindex van de Chinese exportproducten volgens het Amerikaanse ministerie van Arbeid vorig jaar slechts met 3 à 4 % toegenomen. En nadat de lichte depreciatie van de dollar tegenover de renminbi werd weggewerkt is de index sinds 2003 min of meer vlak gebleven. De enige logische conclusie is dan ook dat de economie een opmerkelijke verbetering van de productiviteit aan het ondergaan is. Ten tweede beschikt de regering over enige ruimte om de arbeidsmarkt te versoepelen, die vooral in de kuststreken erg strak gehouden werd. Zo kan ze bijvoorbeeld geleidelijk komaf maken met het systeem van verblijfsvergunningen. Alleen al een herschikking van de arbeidsmarkt kan in de komende twintig jaar voor een jaarlijkse instroom zorgen van 9 miljoen arbeiders. Zelfs als de exportmarkt zou sputteren in 2008, dan nog heeft China cash en mogelijkheden genoeg om de binnenlandse vraag aan te zwengelen. Het zal zich overigens in de toekomst moeten ontdoen van zijn te grote afhankelijkheid van export en investeringen. De toename van de Chinese export overtrof in de voorbije jaren consequent de groei van de import. Het uitdijende handelsoverschot heeft trouwens al aanleiding gegeven tot een protectionistische reactie in het buitenland. Een aannemelijke oplossing is de vraag van de verbruikers op te peppen door de belastingen te verlagen en de overheidsuitgaven voor zaken die de consumenten rechtstreeks baat brengen, zoals gezondheidszorg en onderwijs, op te voeren. De kunst bestaat erin om dat te doen zonder een toevlucht te nemen tot een expansief begrotingsbeleid, wat de financiële risico's nodeloos zou verhogen. In plaats daarvan zou de overheid er beter aan doen de samenstelling van de bestedingen te verschuiven van investeringen in vaste activa en administratie naar zaken die de Chinese bevolking kan verbruiken.DE AUTEUR IS DIRECTEUR VAN HET BEDRIJFSNETWERK CHINA VAN DE ECONOMIST INTELLIGENCE UNITDoor Steven Sitao Xu