De grote beleggerstrauma's van deze eeuw -- L&H, Fortis, Dexia -- zullen we niet in herinnering brengen. We willen wel een aantal extra belastingen van de voorbije vijf jaar op een rij zetten. En dan begrijpt u meteen waarom Johan Van Overtveldt de kleine spaarder en belegger wil sparen.
...

De grote beleggerstrauma's van deze eeuw -- L&H, Fortis, Dexia -- zullen we niet in herinnering brengen. We willen wel een aantal extra belastingen van de voorbije vijf jaar op een rij zetten. En dan begrijpt u meteen waarom Johan Van Overtveldt de kleine spaarder en belegger wil sparen. De regering-Di Rupo sleutelde de voorbije jaren aan de belastingen die banken betalen. De gereglementeerde spaar-deposito's -- zeg maar spaarboekjes -- vormen de basis voor een groot deel van die belastingen. De belastingen moeten het gederfde verlies voor de schatkist goedmaken, veroorzaakt door de vrijstelling van roerende voorheffing voor de intresten op spaarboekjes. De belastingen wegen zodanig zwaar dat sommige internetbanken -- zelfs na aftrek van 25 procent roerende voorheffing -- een hogere vergoeding kunnen bieden op niet-gereglementeerde spaarboekjes. Die tellen niet mee in de berekening van de zogenoemde abonnementsbelasting. De roerende voorheffing op intresten werd verhoogd van 15 naar 25 procent. Die belasting wordt ingehouden op de coupons van obligaties, kasbons, staatsbons, zicht- en termijnrekeningen. Een uitzondering zijn de intresten op een spaarboekje, die boven de vrijgestelde schijf van 1880 euro uitstijgen. Daarvoor geldt nog altijd het oorspronkelijke tarief van 15 procent. Een andere uitzondering zijn onder bepaalde voorwaarden de spaar- en beleggingsverzekeringen. U weet misschien nog wel dat die verhoging in twee stappen verliep, met een kort intermezzo van de ingewikkelde rijkenbelasting in 2012. De bedoeling van die belasting was dat Belgen die meer dan 20.020 euro aan intresten opstreken 4 procent extra belastingen zouden ophoesten. Een aantal internetbanken deed meer kosten aan hun IT-systeem dan ze uiteindelijk aan rijkenbelasting konden doorstorten naar de schatkist. Het gevolg was de afschaffing van de rijkenbelasting en een nieuwe verhoging van de roerende voorheffing voor intresten. Daarnaast ging ook de beursbelasting bij de aan- en verkoop van obligaties via de beurs op 1 januari 2012 omhoog. Die belasting steeg van 0,07 naar 0,09 procent. Bij aandelen bleef het niet bij één verhoging van de beursbelasting. De belasting op beursverrichtingen en de bijbehorende plafonds zijn sinds 2011 al drie keer opgetrokken. Bij de vorming van de regering-Michel was er sprake van een nieuwe verhoging van 0,25 tot 0,28 procent én het verdwijnen van het maximumbedrag (vandaag: 740 euro). De financiële sector heeft de voorbije weken gelobbyd voor het behoud van een plafond, maar er is nog geen definitief uitsluitsel. Ook over de hoogte van de beursbelasting kon de woordvoerder van Van Overtveldt nog niets met 100 procent zekerheid zeggen. Ook sneuvelden gunstregimes, zoals de verminderde roerende voorheffing op dividenden van aandelen met VVPR-strips en vastgoedbevaks (met uitzondering van residentiële bevaks). De premiebelasting ging op 1 januari 2013 van 1,1 naar 2 procent. Die belasting wordt afgehouden op elke storting in een tak21- en tak23-levensverzekering, be-halve op pensioenspaarverzekeringen. De intresten op levensverzekeringen zijn wel nog altijd vrijgesteld van roerende voorheffing als het contract langer dan acht jaar en één dag loopt. Voor beleggingsfondsen kwamen er een heleboel nieuwe lasten bij. De fondsenbelasting is een echt kluwen geworden. Heel wat van de hierboven opgesomde belastingen brachten ook minder op voor de schatkist dan verhoopt. De Belgen passen hun spaar- en beleggingsgedrag wel degelijk aan als er te veel fiscale lasten bijkomen. ILSE DE WITTE