We leven nog altijd in onzekere coronatijden. Dat zou een rem moeten zetten op het aantal startende zelfstandigen. De recentste cijfers tonen dat dat nogal meevalt. In juni van dit jaar waren er zelfs 1,31 procent meer starters dan in juni 2019, al is dat een momentopname. Een analyse van de zelfstandigenorganisatie Unizo en de hr-groep Liantis leert dat er in de eerste helft van dit jaar 12,9 procent minder Belgische starters waren dan in dezelfde periode vorig jaar. In Vlaanderen was dat 8,2 procent minder. "Het lag voor de hand dat het aantal starters door de coronacrisis zou dalen", zegt Danny Van Assche, gedelegeerd bestuurder van Unizo. "Maar gelet op de impact van de coronacrisis, waarin hele sectoren maandenlang platlagen en bepaalde sectoren nog altijd niet opnieuw zijn opgestart, vallen die starterscijfers nog mee. 45.806 starters - van wie 29.412 in Vlaanderen, 6288 in Brussel en 10.106 in Wallonië - is niet niks. Dat is illustratief voor de durf en de veerkracht van ondernemers."
...

We leven nog altijd in onzekere coronatijden. Dat zou een rem moeten zetten op het aantal startende zelfstandigen. De recentste cijfers tonen dat dat nogal meevalt. In juni van dit jaar waren er zelfs 1,31 procent meer starters dan in juni 2019, al is dat een momentopname. Een analyse van de zelfstandigenorganisatie Unizo en de hr-groep Liantis leert dat er in de eerste helft van dit jaar 12,9 procent minder Belgische starters waren dan in dezelfde periode vorig jaar. In Vlaanderen was dat 8,2 procent minder. "Het lag voor de hand dat het aantal starters door de coronacrisis zou dalen", zegt Danny Van Assche, gedelegeerd bestuurder van Unizo. "Maar gelet op de impact van de coronacrisis, waarin hele sectoren maandenlang platlagen en bepaalde sectoren nog altijd niet opnieuw zijn opgestart, vallen die starterscijfers nog mee. 45.806 starters - van wie 29.412 in Vlaanderen, 6288 in Brussel en 10.106 in Wallonië - is niet niks. Dat is illustratief voor de durf en de veerkracht van ondernemers." Liantis berekende op basis van zijn klantenbestand van 205.000 zelfstandigen dat in juni 46,6 procent van de starters dat meteen als hoofdberoep deed. Dat is minder dan de 54 procent in dezelfde maand van vorig jaar, maar al wel een pak meer dan in mei van dit jaar, toen bij Liantis slechts één op de drie starters in hoofdberoep aan de slag ging. "Mensen aarzelen om de bescherming van het werknemersstatuut op te geven", zegt Karel Van den Eynde van het kenniscentrum van Liantis. "Een start in bijberoep geeft de mogelijkheid om de zelfstandige activiteit uit te proberen, zonder als werknemer bruggen op te blazen. Als de activiteit aanslaat, kun je er nog altijd je hoofdberoep van maken." "Maar de crisis is nog niet voorbij", benadrukt Van Assche. "Veel zelfstandigen kunnen nog altijd niet werken, zoals in de evenementsector. De horeca heeft het lastig. Ik hoor verhalen van omzetverliezen van meer dan 60 procent. De groeivooruitzichten blijven onzeker. Daarom blijft het arsenaal van steunmaatregelen het best intact." Van Assche is vol lof over het crisisoverbruggingsrecht, een uitkering (1291,69 euro, of 1614,10 euro met gezinslast) die zelfstandige ondernemers, van wie de activiteiten door de coronacrisis deels of volledig stillagen, konden ontvangen. De tot overbruggingsrecht omgevormde faillissementsverzekering, die al voor de crisis bestond, werd daarmee doorgetrokken. "Op die manier konden de ondernemers terugvallen op een vervangingsinkomen", zegt Van Assche. "Dat geld werd vaak gebruikt om vaste kosten te betalen, want die bleven doorlopen." Naast die federale maatregelen bood ook Vlaanderen steunpremies aan (zie tabel Budgettaire kosten steunmaatregelen voor zelfstandigen). De vraag naar het overbruggingsrecht was enorm. In normale tijden worden 300 tot 350 dossiers per jaar ingediend. In april waren er 404.804 uitbetalingen op een totaal van 747.624 zelfstandigen in hoofdberoep. Dat is ongeveer 55 procent. "Wij zijn gesprongen van 60 gevallen naar bijna 78.000", zegt Karel Van den Eynde van Liantis. "De helft van de vragen hadden betrekking op het crisisoverbruggingsrecht, een kwart op de regionale maatregelen en een kwart op het uitstel van sociale bijdragen." Deze zomer werd gesleuteld aan het overbruggingsrecht. Zelfstandigen van wie de zaak nog altijd gesloten is, kunnen ervan blijven genieten tot het einde van het jaar. Wie in mei weer kon opstarten, maar een omzetverlies van meer dan 10 procent bleef lijden, heeft tot eind oktober recht op een variant: het relance-overbruggingsrecht. "Maar er is een categorie tussen de plooien gevallen", stelt Van Assche vast. "Tot eind augustus kon je een beroep doen op het crisisoverbruggingsrecht wanneer je je activiteiten uit eigen beweging zeven opeenvolgende kalenderdagen onderbreekt, omdat je amper nog inkomsten hebt. Dat bestaat niet meer. Nochtans was die maatregel dé sluitsteen om discriminatie tussen zelfstandigen te vermijden. Neem de aanzienlijke groep freelancers zoals informatici, vertalers en taxichauffeurs. Zij zijn niet verplicht te sluiten, maar zien hun inkomsten wel bijna volledig opdrogen. Ook zelfstandigen die na hoogrisicocontacten in preventieve quarantaine moeten, hebben geen recht op ondersteuning meer. Voor tal van groepen is de vrijwillige stopzetting gedurende zeven dagen de enige mogelijkheid om een overbruggingsrecht te krijgen. Door het hele systeem slechts partieel te verlengen en zonder valabel alternatief verliezen grote groepen zelfstandigen in september hun broodnodige steun. Zonder die steun dreigt een nog groter dan verwacht sneeuwbaleffect aan faillissementen en staat ook het personeel mee op straat. We zullen dat in het Algemeen Beheerscomité voor het sociale statuut van zelfstandigen evalueren en op basis daarvan een nieuw voorstel lanceren." Dat betekent dat de overheidskosten voor het overbruggingsrecht nog verder zullen oplopen. Ze worden al op 2,3 miljard euro geschat. Toch vindt Van Assche de instandhouding van een breed overbruggingsrecht noodzakelijk. Zelfs als de economie de komende kwartalen opnieuw aantrekt, dreigen zelfstandigen om een andere reden in de problemen te komen: er komt een einde aan de uitgestelde betalingen van sociale bijdragen. De bijdragen voor het eerste kwartaal van 2020 moeten uiterlijk tegen het tweede kwartaal van 2021 worden betaald. "Zelfstandigen moeten opletten", waarschuwt Katrien Jonckheer, de directeur starters en zelfstandigen bij de hr-groep Acerta. "Dat betekent dat het aantal kwartaalbetalingen zich volgend jaar kan opstapelen, tot tien betalingen per jaar. Niet enkel de kwartaalbijdragen, maar ook de afrekeningen. Dat kan veel zelfstandigen in de problemen brengen." "We weten niet hoe het vliegwiel van de economie de komende maanden zal draaien", zegt Van Assche. "Een consumentenvertrouwen dat ondermaats blijft, zal een negatief effect hebben op de inkomsten van veel zelfstandigen. Dat kan volgend jaar de betaling van de sociale bijdragen onder druk zetten. Er zit een pervers kantje aan het systeem: wie straks niet op tijd betaalt, moet allerlei toeslagen afdragen. Dat kan de bijdragen met 22 procent doen stijgen." "Vraag enkel uitstel als het echt niet anders kan", adviseert Karel Van den Eynde. "Vergeet ook de fiscale aftrekbaarheid van het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen niet. Daar wordt voorzien dat dat fiscale voordeel enkel wordt toegekend als de wettelijke sociale bijdragen betaald zijn. Dat is een extra argument om te proberen die bijdragen toch te betalen." Zelfstandigen die tijdelijk zware financiële problemen ondervinden door corona, kunnen overwegen een vrijstelling van sociale bijdragen aan te vragen. Die moeten dan in principe niet meer worden betaald. Maar volgens cijfers van de Nationale Bank zou dat een zeer beperkte groep zijn. De vrijstelling van sociale bijdragen zou de staatskas 44 miljoen euro kosten, terwijl de uitgestelde sociale bijdragen 500 miljoen euro bedragen. Het betalingsuitstel is een van de oorzaken dat de sociale zekerheid voor zelfstandigen (RSVZ) dit jaar diep in het rood gaat. Volgens het Monitoringcomité klopt het tekort in de sociale zekerheid voor zelfstandigen dit jaar af op een bedrag van 3,279 miljard euro. Dat is een verslechtering met 3,899 miljard euro tegenover vorig jaar. De RSVZ boekte lange tijd een overschot, terwijl die van de werknemers allang rood kleurt. "Dat tekort is een tijdelijk fenomeen", sust Danny Van Assche. "De sociale zekerheid voor zelfstandigen is altijd heel performant geweest, met jarenlange overschotten en reserves. Dit jaar is uitzonderlijk en we kunnen voor de eerste keer gebruikmaken van de evenwichtsdotatie." Dat geld uit de algemene middelen van de begroting past het tekort in de sociale zekerheid bij. Het werknemersstelsel doet al jaren een beroep op die dotatie. Volgens het Monitoringcomité zullen de inkomsten voor de RSVZ volgend jaar opnieuw toenemen. Het stelsel zal volgend jaar een klein overschot van 3 miljoen euro boeken. De jaren erna zal er wel weer een structureel tekort van 1 miljard euro zijn. Danny Van Assche maakt zich geen zorgen. "Er zijn Europese fondsen waaruit België kan putten. En het aantal zelfstandigen zal toenemen, die trend is niet gekeerd. Dat is goed nieuws voor onze sociale zekerheid. Ik denk zelfs dat er mogelijkheden zijn om het sociale statuut te verbeteren." Dan wordt vooral gekeken naar de pensioenen voor zelfstandigen. De voorbije jaren zijn de minima stelselmatig opgetrokken richting de pensioenen van werknemers. Het minimumpensioen voor een alleenstaande bedraagt momenteel 1292 euro per maand voor werknemers en zelfstandigen, en 1393 voor ambtenaren. Maar in de gemiddelde uitkeringen vallen grote verschillen op. Het gemiddelde brutopensioen van een ambtenaar bedraagt 2731 euro, dat van een werknemer 1161,25 euro en dat van een zelfstandige 931,06 euro. Dat het gemiddelde pensioen van een zelfstandige een pak lager ligt dan dat van een werknemer, heeft te maken met een correctiecoëfficiënt. Een zelfstandige die een gelijk inkomen aangeeft als dat van een werknemer, krijgt een pensioen dat 34 procent lager is. Dat is een gevolg van verschillen in het bijdragestelsel. De sociale bijdragen van een werknemer zijn niet geplafonneerd. Een hoger inkomen betekent meer sociale bijdragen. Bij zelfstandigen is het basistarief 20,5 procent. Dat daalt naar 14,7 procent voor een jaarinkomen boven 60.427 euro. Op het inkomen hoger dan 89.051,38 euro hoeven geen sociale bijdragen te worden betaald. Een werknemer draagt bijdragen af om een pensioen te ontvangen tussen 1250 en 2400 euro. Een zelfstandige zal nooit een pensioen hoger dan 1580 euro incasseren. Unizo pleit allang voor de opheffing van de correctiecoëfficiënt. In de Wetstraat is te horen dat de Vivaldi-partijen eraan denken de coëfficiënt te laten uitdoven. Dat zou wel extra pensioenkosten met zich brengen. De directe afschaffing van de coëfficiënt kost 1 miljard euro. De aanpassing zou kunnen worden gefinancierd door hogere sociale bijdragen voor zelfstandigen of door de opheffing van het bijdrageplafond. Danny Van Assche is van oordeel dat de sociale zekerheid van de zelfstandigen gezond genoeg is om de pensioenen te verhogen zonder hogere bijdragen. Een denkspoor zou erin bestaan dat de coëfficiënt enkel wordt toegekend aan de nieuw gepensioneerde zelfstandigen, wat de kostprijs zou beperken tot 274 miljoen euro tegen 2040. Maar dat is allemaal toekomstmuziek, want in België is er enkel een akkoord over een bepaalde maatregel als er over alles een akkoord is.