Eind januari 2016 moeten de sociale partners met concrete voorstellen komen voor een hervorming van de wet op het concurrentievermogen. De wet is twintig jaar oud en aan een herijking toe. Die zogenoemde wet op de loonnorm is sinds 1996 van toepassing en bepaalt dat de lonen in België niet sneller mogen stijgen dan in Nederland, Duitsland, Frankrijk.
...

Eind januari 2016 moeten de sociale partners met concrete voorstellen komen voor een hervorming van de wet op het concurrentievermogen. De wet is twintig jaar oud en aan een herijking toe. Die zogenoemde wet op de loonnorm is sinds 1996 van toepassing en bepaalt dat de lonen in België niet sneller mogen stijgen dan in Nederland, Duitsland, Frankrijk. De wet heeft aanvankelijk goed gewerkt. Tot 2007 liep de brutoloonevolutie in ons land gelijk met die van de buurlanden. Maar vanaf 2008 liepen de loonkosten in België veel hoger op dan in de buurlanden. De reden was de stijging van de grondstoffenprijzen, die leidde tot een hogere inflatie en dus een toename van de index van de consumptieprijzen. Door de automatische loonindexering stegen de brutolonen in België veel sneller. In 2008 lagen de Belgische loonkosten per uur 4,8 procent hoger dan in de buurlanden. De jaren daarop schommelde deze loonkostenhandicap tussen 4 en 4,2 procent. Een Belgische werknemer bleef dus structureel duurder dan een collega in Duitsland, Frankrijk of Nederland. Dat zette de concurrentiekracht van de ondernemingen zwaar onder druk. Belgische bedrijven verloren marktaandeel en de handelsbalans ging in het rood. De wet op het concurrentievermogen bepaalt nochtans dat loonontsporingen ten opzichte van de buurlanden achteraf moeten worden bijgestuurd. Maar dat is in de eerste jaren na 2008 niet gebeurd, want België strompelde tussen 2008 en 2011 van politieke crisis naar politieke crisis. Ook de Groep van Tien, de sociale partners die het interprofessioneel overleg sturen, konden geen overeenkomst bereiken. Pas met de regering-Di Rupo, die voor 2013-2014 een reële loonstop oplegde, begon de loonkostenhandicap te dalen. Enkel nog de automatische loonindexering werd toegekend. De regering-Michel bouwde daarop voort en voerde een indexsprong van 2 procent door. Voeg daar nog de loonkostenverlagingen en de sterkere loonstijgingen in Duitsland bij, en de sinds 1996 opgelopen loonkostenhandicap zal tegen eind 2016, begin 2017 zijn weggewerkt. Volgens de sociale partners en de werkgevers toont dat alles aan dat de wet op het concurrentievermogen een al te grote loondrift heeft vermeden, maar dat de wet niet optimaal is. Bovendien is er nog altijd sprake van een historische loonkostenhandicap van 12 procent, die al voor 1996 bestond en er nog altijd is. De werkgeversorganisaties willen die handicap wegwerken en ze willen ook niet meer dat de wet op het concurrentievermogen leidt tot loonkostontsporingen zoals in de periode na 2008. Er is nood aan een nieuw wetgevend kader. De regering-Michel bediende de werkgevers op hun wenken: in het regeerakkoord is een hervorming van de wet van 1996 opgenomen. Rekening houdend met de traditie van het sociaal overleg wil de regering-Michel dat de sociale partners tegen eind januari zelf met voorstellen komen voor een nieuwe loonnormwet. Die voorstellen zullen er niet komen, of ze zullen zeer wollig geformuleerd zijn. De standpunten van de werkgevers en de vakbonden staan hier diametraal tegenover elkaar. De werkgevers zijn gewonnen voor een meer flexibele loonvorming, wat in de huidige omstandigheden met de baremaverhogingen, het tweejaarlijkse interprofessioneel en sectoraal overleg en de automatische indexering zeer moeilijk is. De werkgevers zijn allang vragende partij voor een aanpassing van het automatisch indexe-ringssysteem om plotse inflatieschokken op te vangen. Ook zijn ze er voorstander van dat de regering de loonontsporingen zelf bijstuurt. De vakbonden verkiezen het status quo en zullen dus weigeren hun handtekening te zetten onder nieuwe, door de werkgevers geïnspireerde voorstellen om de wet op de loonnorm te wijzigen. Een flexibeler manier van loonvorming, laat staan een aanpassing van een automatisch indexeringsmechanisme is voor de syndicale organisaties onaanvaardbaar. Zij zullen zich in dit dossier onwrikbaar opstellen, want er zijn in het voorjaar van 2016 sociale verkiezingen gepland. En dat betekent dat de vakbonden niet kunnen of willen bewegen, en zeker niet in de richting van de werkgevers. Zowel het ACV, het ABVV als de ACLVB wil zich als de meest onwrikbare syndicale organisatie profileren. Het sociaal overleg komt daardoor in stand-by-modus. Verandert er dan iets in het najaar van 2016, na de sociale verkiezingen? Niet direct. Dan moet de Groep van Tien samenzitten om een sociaal akkoord voor 2017-2018 af te sluiten, met als belangrijkste taak een loonnorm af te spreken voor de komende twee jaar. De standpunten zullen onverzoenbaar blijven. Na jaren van reële loonmatiging zullen de vakbonden eisen dat er aanzienlijke reële loonstijgingen worden toegekend. De werkgevers zien een unieke kans om de loonmatiging voort te zetten en zo de loonkostenhandicap te verlagen. Ze vragen ook een indexsprong bis, want door de hogere inflatie -- zijnde 1,9 procent ten gevolge van prijsstijgingen, waaronder de hogere btw op elektriciteit -- treedt de automatische indexering versneld in werking en stijgen de loonkosten sneller dan verwacht. Alleen al het pleidooi voor een indexsprong is een oorlogsverklaring voor de vakbonden. Een interprofessioneel akkoord afsluiten wordt een onmogelijke opdracht. Het sociaal overleg blijft ook in het najaar in stand-bymodus. De regering-Michel zal het laken naar zich toe moeten trekken. Een indexsprong bis, waar de werkgevers stilletjes op hopen, komt er niet. Premier Charles Michel zal kiezen voor een reële loonstop, dus enkel de indexe-ring wordt in 2017-2018 toegekend. De CD&V-coalitiepartner is er niet gelukkig mee, maar zal benadrukken dat het een tweede indexsprong vermeden heeft. Alain MoutonDe standpunten van de werkgevers en de vakbonden over de loonnormwet staan diametraal tegenover elkaar.