Aan het begin van 2019 konden de grote banken het nieuwe jaar tegemoetzien met verschillende gradaties van optimisme. De meeste Amerikaanse kredietgevers genoten van een rendement met dubbele cijfers op eigen vermogen - een belangrijke waardemeter voor hun winstgevendheid. Veel Europese banken hadden dan weer alle moeite om zich los te werken uit hun post-crisisslaap. Allebei mochten ze echter verwachten dat het leven op één belangrijk gebied gemakkelijker zou worden: de monetaire beleidsmakers trokken de rentevoeten op (in Amerika) of zetten een rem op de obligatieaankopen (in de eurozone).
...

Aan het begin van 2019 konden de grote banken het nieuwe jaar tegemoetzien met verschillende gradaties van optimisme. De meeste Amerikaanse kredietgevers genoten van een rendement met dubbele cijfers op eigen vermogen - een belangrijke waardemeter voor hun winstgevendheid. Veel Europese banken hadden dan weer alle moeite om zich los te werken uit hun post-crisisslaap. Allebei mochten ze echter verwachten dat het leven op één belangrijk gebied gemakkelijker zou worden: de monetaire beleidsmakers trokken de rentevoeten op (in Amerika) of zetten een rem op de obligatieaankopen (in de eurozone). Helaas bleken die verwachtingen het voorbije jaar ijdele hoop. Er woedden handelsoorlogen, wereldwijd vertraagde de groei, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan verlaagden de centrale banken de rentevoeten, en hun collega's in veel andere landen deden hetzelfde. Als gevolg daarvan mogen de banken zich zowat overal opmaken voor een minder lucratief 2020. De kern van het bankwezen is de marge tussen de rentetarieven waaraan banken enerzijds fondsen werven en anderzijds lenen aan kredietnemers. Ze hebben doorgaans een voordeel bij stijgende rentevoeten. Banken kunnen hogere rentes snel doorrekenen aan kredietnemers, terwijl het langer duurt voor hun financieringskosten volgen. Lagere rentevoeten doen dan weer pijn. De marges staan vooral onder druk wanneer de beleidsrente bijna tot nul zakt of negatief wordt, zoals in de eurozone en elders. Depositohouders betalen de banken liever niet om hun geld vast te houden, en vervallende kredieten moeten worden vervangen door nieuwe leningen met lagere rentetarieven. De Europese banken kreunen nu al drie jaar onder negatieve rentevoeten - hun Japanse collega's zelfs langer. In 2020 zullen ze verder op de tanden moeten bijten. In september 2019 verlaagde de Europese Centrale Bank de rentevoeten op deposito's van -0,4 naar -0,5 procent. Ze verklaarde bovendien dat ze opnieuw obligaties zou opkopen. Hoewel de ECB sommige reserves heeft vrijgesteld van negatieve rentevoeten, in navolging van de centrale banken in Japan en Zwitserland, zullen de banken nog meer in de tang worden genomen. In Amerika liet de Federal Reserve in juli, september en oktober 2019 de rentevoeten zakken. President Donald Trump zal ongetwijfeld tweets blijven afvuren om de Fed tot nog meer en snellere actie aan te zetten. Jamie Dinon, hoofd van JPMorgan Chase, de grootste bank van het land, zei dat zijn bedrijf zich opmaakt voor een nultarief of negatieve rentevoeten, al lijkt het hem onwaarschijnlijk dat het zo ver zal komen. Op het moment dat dit artikel werd geschreven, mikte de Fed op een beleidsrente tussen 1,5 en 1,75 procent. Wat kunnen banken doen om uit de omklemming te ontsnappen? Een antwoord is de inkomsten uit andere bronnen op te krikken, te beginnen met vergoedingen. Particuliere klanten sputteren tegen als ze intresten moeten betalen op deposito's, maar betalen voor lopende rekeningen is standaard in Amerika en wordt steeds meer gemeengoed in Europa. Door de concurrentie zullen de mogelijkheden om de vergoedingen te verhogen echter beperkt blijven. Tegenwoordig moeten de gevestigde banken niet enkel strijd leveren met elkaar, ze liggen ook onder vuur van de onlinebanken die als paddenstoelen uit de grond schieten. Vooral de Amerikaanse klanten zijn het gewoon het hof gemaakt te worden met vrijgevige cashback-aanbiedingen op kredietkaarten. Die gewoonte zullen de banken niet gemakkelijk afleren. Meer inkomsten halen uit andere branches oogt nauwelijks gemakkelijker. Sommige banken hebben hun geld op op vermogensbeheer gezet. Dat lijkt verstandig, maar zelfs begoede klanten worden voorzichtig als het rendement laag is. De kans is klein dat die banken in 2020 de vruchten plukken. En omdat kleine en grote bedrijven worstelen met de lome mondiale groei, hebben ook hun banken het lastig: ze zullen minder leningen willen, minder handelsfinanciering enzovoort. Terwijl corporate banking afstevent op een conjuncturele neergang, kent investment banking een langdurende inzinking. De opbrengsten zitten al jaren in een neerwaartse trend, vooral de vaste inkomsten. Er is weinig activiteit, en technologische ontwikkelingen hebben de marges doen krimpen. Als de business toch aantrekt, zullen de Amerikaanse banken het gros van de winst weggraaien. Verschillende Europese banken hebben de aftocht moeten blazen. Al die somberheid betekent gelukkig nog lang geen crisis. Al kunnen er problemen opduiken in India en China, waar in 2019 verschillende middelgrote banken moesten worden gered. Wat we meemaken is veel minder dramatisch, een voortzetting van een vast refrein van de jongste jaren: de succesvolste banken zullen degene zijn die er alles aan doen om de kosten te drukken en gebruik te maken van digitale technologie, zowel om geld te besparen als om de klanten te bedienen. In 2020 zal het echter nog altijd aangenamer zijn om een grote Amerikaanse bank te besturen, en nog een beetje ellendiger om aan het hoofd van een grote Europese bank te staan.