Vier ontwikkelingslijnen
...

Vier ontwikkelingslijnenDit blad schrijft geregeld over het toenemend belang van regiostaten zoals Singapore, Ierland of mogelijk ook Vlaanderen. Dat zijn staten met een bevolking tussen 5 en 20 miljoen ; daarmee bereiken ze de noodzakelijke schaaleffecten, zonder dat het beleid te ver van de mensen en de ondernemingen staat. Terzelfder tijd lezen we over de internationalisering van de economie, die harde concurrentieregels oplegt. Niet zelden wordt gesteld dat we eigenlijk geen andere keuze hebben dan ons aan die regels aan te passen. De vraag ligt dan ook voor de hand : wat is de zin van toenemende beleidsautonomie voor een regio als Vlaanderen, als men zich toch moet voegen naar wat op internationaal vlak gebeurt ? Ook in het kader van de voortschrijdende Europese integratie vragen meer en meer mensen zich af wat de overblijvende beleidsruimte zal zijn voor de overheid van de kleinere lidstaten.ONDERSCHEID.Opvallend is dat beleidsruimte in deze discussie meestal gezien wordt als een nulsomspel ( zero sum game) : wat de ene partij wint aan marges voor de vormgeving van eigen beleid, verliest de andere. Het spel is evenwel complexer. Om te beginnen moeten we een onderscheid maken tussen internationalisering van (delen van) de economie en van (delen van) het beleid. Telkens moeten we ons voor een deel aanpassen aan internationale spelregels, maar worden ook nieuwe kansen geschapen. De internationalisering van de markt biedt nieuwe afzetmogelijkheden voor relatief efficiënt functionerende economieën zoals de Vlaamse en de Nederlandse. Ondernemingen uit ons deel van de wereld investeren voor een deel elders om in te spelen op lokale marktkansen. In die zin is de internationale concurrentie geen nulsomspel. Tot nu toe hebben we mee geprofiteerd van het groter worden van de internationale koek.Iets soortgelijks geldt voor de Europese integratie. Kleine landen breiden niet zelden hun beleidsruimte uit door deel te nemen aan machtsblokken zoals de EU : hun markt wordt groter, en op eigen benen zouden ze maar een klein deel kunnen bereiken van wat ze vermogen in een groter geheel.In een studie voor de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ( Internationale macht en interne autonomie, 1978) wees de huidige Nederlandse minister van Defensie Joris Verhoeve op "de schijnbare paradox dat een kleinere mogendheid, om haar belangen te verdedigen, een groot deel van de eigen wapens juist uit handen moet geven." Dit wil daarom nog niet zeggen dat elke verschuiving in die richting positief is : internationale samenwerking kan ook leiden tot schaal nadelen. CONCURRENTIE.In mijn boek Het Kennisoffensief (1996) stel ik dat het er in de kenniseconomie steeds meer op aankomt "slim te concurreren". Wat betekent dat nu voor een relatief kleinschalige regiostaat ? Feitelijk komt het erop neer dat we bij internationalisering vier ontwikkelingslijnen op een slimme manier moeten combineren. De eerste is aanpassing aan bepaalde economische eisen. We mogen niet slechter presteren dan onze concurrenten, en onze kennisontwikkeling moet op het hoogste niveau blijven. De eisen voor deelname aan de EMU vormen een voorbeeld van die noodzakelijke internationale convergentie. De tweede lijn is dat we op bepaalde terreinen internationaal moeten samenwerken. Dat kan gaan om simpele werkverdeling : investeert Vlaanderen in een instituut als IMEC, dan is het niet slim als Nederland dat ook doet. Het kan eveneens echte samenwerking betreffen zoals bij Airbus en Ariane, de ontwikkeling van kernfusie of het aids-onderzoek. Internationale akkoorden zoals rond de GATT en de WTO zijn verstandig, maar het zou goed zijn daar akkoorden aan toe te voegen die een soort sociale of ethische bodem onder de markt leggen, om te vermijden dat concurrentie leidt tot een neerwaartse spiraal. Dat heeft ook te maken met de derde lijn : beleidsconcurrentie in de vorm van creatief boekhouden. Iedereen is daar officieel tegen, maar we moeten vaststellen dat het dagelijks gebeurt. Overheden proberen voortdurend hun eigen bedrijfsleven te bevoordelen of via allerhande trucs buitenlandse ondernemingen aan te trekken, zelfs als dat ingaat tegen de geest van internationale afspraken. Laten we vooral niet doen alsof nationale en internationale politiek beheerst worden door louter idealistische motieven ; het zou dom zijn op dit punt katholieker te willen zijn dan de paus. SPECIALISATIE.De vierde lijn is beleidsconcurrentie in de zin van het versterken van de eigen specialisatie, de eigen specifieke sterkte : een andere manier om te proberen een neerwaartse spiraal te voorkomen. Die sterkte kan liggen in bepaalde clusters of in specifieke niches daarbinnen. We mogen niet vergeten dat tweederde van de internationale handel intra-sectorieel is, wat erop wijst dat verschillende landen specifieke specialisaties hebben binnen sectoren. Met versterken van specialisatie bedoel ik overigens geen ouderwetse bescherming van nationale kampioenen. Het gaat er veeleer om via selectieve maatregelen en ambitieuze, innovatieve, vraaggerichte projecten een cluster als het ware aan de eigen haren omhoog te trekken om zo nieuwe producten en markten te creëren.De internationalisering van de economie doet de marges voor een dergelijk nationaal beleid zeker niet verdwijnen. Sterker nog : de noodzaak om op die lijn in te zetten wordt groter, want de concurrentie gaat steeds meer over specialisatie en verschil. In die zin leidt internationalisering ook tot verandering van de spelregels. Dat is het noodzakelijke element van divergentie in de internationale concurrentie. Voor een regiostaat betekent slim concurreren dus versterkt inzetten op de vierde ontwikkelingslijn (specialisatie), maar in goede balans met de andere drie. Het voorbeeld van Renault Vilvoorde toont overigens aan dat goed beleid niet altijd met succes wordt beloond (wat we maar al te graag verwachten). In zo'n geval moeten we zeker niet zomaar de handen in de schoot leggen, maar het blijft een feit dat we af en toe gewoon niet sterk of machtig genoeg zijn. DANY JACOBS Dr. Dany Jacobs is senior onderzoeker/adviseur bij het TNO Studiecentrum voor Technologie en Beleid in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar Innovatie en Externe Organisatie aan de Technische Universiteit Eindhoven.