Dagelijkse bestuurders van vennootschappen en van grote vzw's moeten uitkijken. Wanneer de btw of de bedrijfsvoorheffing bij herhaling niet aan de schatkist wordt betaald, wordt dat tegenwoordig vermoed het gevolg te zijn van een fout die zij hebben gemaakt. De fiscus kan zich dan tegen hen keren. Het vermoeden is weerlegbaar. Maar inmiddels is de bewijslast wel omgekeerd. De fiscus moet niet bewijzen dat de dagelijkse bestuurders een fout hebben gemaakt. Zij moeten zelf bewijzen dat zij 'geen' fout hebben gemaakt. Dat is een stuk moeilijker.
...

Dagelijkse bestuurders van vennootschappen en van grote vzw's moeten uitkijken. Wanneer de btw of de bedrijfsvoorheffing bij herhaling niet aan de schatkist wordt betaald, wordt dat tegenwoordig vermoed het gevolg te zijn van een fout die zij hebben gemaakt. De fiscus kan zich dan tegen hen keren. Het vermoeden is weerlegbaar. Maar inmiddels is de bewijslast wel omgekeerd. De fiscus moet niet bewijzen dat de dagelijkse bestuurders een fout hebben gemaakt. Zij moeten zelf bewijzen dat zij 'geen' fout hebben gemaakt. Dat is een stuk moeilijker. Van een 'herhaalde' niet-betaling is sprake als de vennootschap of grote vzw de bedrijfsvoorheffing of btw binnen een periode van een jaar minstens drie keer niet betaalt. Bij vennootschappen of grote vzw's die de bedrijfsvoorheffing of btw slechts per kwartaal moeten betalen, ligt de grens op twee keer niet-betalen binnen het jaar. Sluiting. Een herhaalde niet-betaling heeft niet enkel gevolgen voor de aansprakelijkheid van de bestuurders. Van de jongste programmawet is gebruikgemaakt om deze regeling nog strenger te maken. Bij een herhaalde niet-betaling van bedrijfsvoorheffing of btw zal voortaan ook de sluiting van de vestiging bevolen kunnen worden. De wetgever heeft die bevoegdheid in handen van de gewestelijke directeur gelegd. Onder 'vestiging' verstaat de wet de lokalen waar de economische activiteit wordt uitgeoefend: de bureaus, fabrieken, werkplaatsen, enz. Dat gaat dus heel ver. Drie keer geen bedrijfsvoorheffing of btw betalen, brengt niet enkel de aansprakelijkheid van de dagelijkse bestuurders in het gedrang. Het kan ook tot gevolg hebben dat de gewestelijke directeur de sluiting van de vestiging beveelt. Eén troost: de meting gebeurt afzonderlijk voor de bedrijfsvoorheffing en de btw. Twee keer binnen het jaar geen bedrijfsvoorheffing betalen, en nog een keertje geen btw, volstaat niet. Men moet drie keer de bedrijfsvoorheffing niet hebben betaald, of drie keer de btw. Nog een troost: de sancties staan volledig onder toezicht van de rechter. De fiscus kan zich niet zonder meer tegen de dagelijkse bestuurders keren. Hij moet daarvoor een beroep doen op de rechtbank. Slechts de rechter kan de dagelijkse bestuurders hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de niet-betaalde bedrijfsvoorheffing of btw. Bij de mogelijke sluiting van de vestiging ligt de beslissing weliswaar bij de fiscus zelf. Het is de gewestelijke directeur die de sluiting beveelt. Maar de belastingplichtige is niet zonder verweer. Hij heeft twee maanden tijd om de zaak aanhangig te maken bij de rechtbank. Het is de rechter die het laatste woord heeft. Hij zal niet enkel kunnen nagaan of de beslissing van de gewestelijke directeur wettig is. Hij zal ook kunnen beoordelen of de sanctie in verhouding staat met de overtreding. Doet de belastingplichtige geen beroep op de rechtbank, dan is de sluiting onherroepelijk na afloop van de termijn van twee maanden. Dit is een bijzonder drastisch gevolg. De wetgever heeft daarom beslist dat de kennisgeving van de beslissing van de gewestelijke directeur niet eenvoudig bij aangetekend schrijven mag gebeuren. De werking van de post kennende, vreesden sommige parlementsleden terecht dat de beslissing van de gewestelijke directeur in een aantal gevallen de bestemmeling niet bereikt als de betekening gewoon bij aangetekend schrijven gebeurt. Vandaar dat de wetgever uiteindelijk beslist heeft dat een gerechtsdeurwaarder de betekening moet doen. Dat geeft meer zekerheid. Efficiëntie. Deze drastische nieuwe sanctie roept vragen op naar de efficiëntie van het sanctieapparaat. De fiscale wetgeving puilt tegenwoordig uit van de sancties. Van dezelfde programmawet heeft de regering gebruikgemaakt om het maximum van de fiscale geldboeten die de strafrechter kan opleggen, te vermenigvuldigen met tien. Waar moet dit eindigen? Is het niet beter efficiënt gebruik te maken van de bestaande sancties, dan telkens weer nieuwe en verhoogde sancties in het leven te roepen? De nieuwe en hogere sancties moeten het afschrikkingeffect vergroten. Maar wat baten hoge verkeersboeten als nergens een politieagent te bespeuren valt? De efficiëntie van een sanctie hangt ook af van de slagkracht. Het bevel om de vestiging te sluiten bij herhaalde niet-betaling van btw of bedrijfsvoorheffing oogt drastisch en afschrikwekkend. Maar is het op die manier dat de fiscale fraude efficiënt wordt aangepakt? Na de beslissing van de gewestelijke directeur heeft men twee maanden tijd om naar de rechtbank te trekken. Vervolgens moet de rechtbank haar werk doen. Wegens de belangen die op het spel staan, ligt het voor de hand dat hoger beroep wordt aangetekend. Gelet op de traagheid waarmee de gerechtelijke molen maalt, valt een definitieve uitspraak pas na jaren. Tegen dan is het bedrijf al lang ver-dwenen, of geregulariseerd. De nieuwe sanctie is, zo bekeken, meer voor de show dan voor de efficiëntie. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. EXTRA INFORMATIE OP WWW.TRENDS.BE De column die vorige week per abuis niet verscheen. Onze excuses.Jan Van Dyck