In Nederland is een tijdje geleden beroering ontstaan over het btw-tarief dat van toepassing is op 'peepshows'. Zelfs het deftige, meer dan honderd jaar oude Nederlandse 'Weekblad fiscaal recht' wijdt er in een van zijn jongste edities een uitgebreide bespreking aan.
...

In Nederland is een tijdje geleden beroering ontstaan over het btw-tarief dat van toepassing is op 'peepshows'. Zelfs het deftige, meer dan honderd jaar oude Nederlandse 'Weekblad fiscaal recht' wijdt er in een van zijn jongste edities een uitgebreide bespreking aan. Wat is er aan de hand? In Nederland bestaat een verlaagd btw-tarief voor 'muziek- en toneeluitvoeringen'. In België bestaat een gelijkaardige regeling. De diensten die bestaan in het uitvoeren van 'toneelwerken, balletten, muziekstukken, circus-, variété- of cabaretvoorstellingen en soortgelijke activiteiten' vallen in ons land onder het verlaagde tarief van 6 % btw. Onder bepaalde voorwaarden genieten zij zelfs een vrijstelling van btw. Dat is het geval als de prestatie het werk is van een 'uitvoerend artiest' en hij die diensten verstrekt 'aan organisatoren van schouwspelen en concerten'. De lezer begrijpt onmiddellijk welk prangend probleem onze noorderburen in de ban hield: is een 'peepshow' ook een toneeluitvoering? De rechtbank van eerste aanleg te Haarlem oordeelde dat dit niet het geval is. Het hof van beroep te Amsterdam dacht daar begin vorig jaar anders over. Het vond dat het begrip 'toneeluitvoering' ruim geïnterpreteerd moet worden. Het stelde vast dat bij een 'peepshow' sprake is van een toneel waarop één of meerdere personen een voorstelling geven die door een aantal personen tegen betaling kan worden bijgewoond. Zo'n omschrijving voldoet aan de notie 'toneelvoorstelling'. Dat de 'toneelspeler' in kwestie niets zegt, en alleen maar zijn of haar lichaam etaleert, doet daaraan niets af. Bij het pantomimespel wordt ook geen woord gesproken. Nochtans twijfelt niemand eraan dat een pantomimevoorstelling wel degelijk het karakter heeft van een toneelvoorstelling. Volgens het Amsterdamse hof valt een 'peepshow' dus wel onder het (Nederlandse) verlaagde btw-tarief voor toneelvoorstellingen. De uitspraak kreeg onmiddellijk veel weerklank in de Nederlandse dagbladpers. Volgens het 'Weekblad fiscaal recht' zal dat waarschijnlijk veel te maken hebben met het adagium 'sex sells'. Maar het was tegelijk duidelijk dat een gevoelige snaar geraakt werd. De publieke opinie nam het niet dat een belastingverlaging wordt toegestaan aan zoiets verderfelijks als een 'peepshow', terwijl de tariefverlaging voor 'toneelvoorstellingen' blijkbaar toch bedoeld is als stimulans voor hoog verheven 'culturele' manifestaties. Het verhaal is vandaag nog niet ten einde. Tegen het arrest van het hof van beroep van Amsterdam is een voorziening ingesteld bij de Nederlandse Hoge Raad (te vergelijken met ons Hof van Cassatie). Die krijgt het laatste woord. Ondanks de wat 'pikante' aanleiding voor de discussie, is zij niettemin erg interessant. Zoals de auteur in het 'Weekblad fiscaal recht' terecht opmerkt, gaat het ten gronde over de vraag hoe men bepaalde begrippen voor de toepassing van de btw moet interpreteren. Puur objectief? Of moet men ook rekening houden met subjectieve elementen? De auteur pleit in het kader van de btw voor een 'objectieve' benadering. Anders verzeil je automatisch in een schier eindeloze discussie over wat bijvoorbeeld onder een toneelvoorstelling moet worden verstaan. Zij verwijst daarvoor naar de voorstelling 'Nachtschade' die ook in België op verschillende podia te zien is geweest. Die voorstelling bestaat, kort gezegd, uit een aantal artistiek uitgevoerde 'stripteases'. Geen mens die eraan twijfelt dat dit wel degelijk om een 'toneelvoorstelling' gaat. Maar waar leg je de grens? De auteur verwijst naar Noorwegen waar de rechter oordeelde, dat een 'striptease' ook als 'theater' in aanmerking komt. De Noorse wetgeving werd prompt aangepast. In het anders zo breeddenkende Nederland is de btw-wetgeving inmiddels ook aangepast. Daarin staat nu te lezen, dat 'peepshows en andere optredens die primair gericht zijn op erotisch vermaak' niet (langer) voor het verlaagde btw-tarief in aanmerking komen. In België zijn geen betwistingen bekend van het btw-tarief op 'peepshows'. Voor de rechtbank van eerste aanleg in Brugge kwam onlangs wel de vraag ter sprake of eroticazaken recht hebben op het verlaagde tarief van 6 % voor hun 'cabines' waarin zij erotische films vertonen. De vraag is met andere woorden, of dergelijke cabines als een 'bioscoop' kunnen worden aangemerkt (waarvoor het tarief inderdaad slechts 6 % bedraagt). De rechtbank te Brugge oordeelde van niet. Volgens haar gaat het hier, in tegenstelling tot een bioscoop, "om zeer kleine ruimtes waar de consument door een muntinworp zijn eigen filmkeuze bepaalt". De rechtbank verwees ook naar de uitdrukkelijke tekst van het tarieven-KB dat zegt dat bioscopen onder toepassing vallen van het verlaagde btw-tarief van 6 %. Maar het sluit uitdrukkelijk het gebruik van 'automatische ontspanningstoestellen' uit. Volgens de rechtbank beantwoordt de infrastructuur die eroticazaken gebruiken om in cabines films te projecteren, perfect aan de notie 'automatisch ontspanningstoestel'. Geen verlaagd tarief dus. Merk op dat de Nederlandse Hoge Raad enige tijd geleden 'sekscabines' wel als 'bioscopen' heeft aangemerkt. (T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG. Jan Van Dyck