Frank Vandenbroucke, de Vlaamse SP.A-minister van Werk en Onderwijs, heeft niet meer dan een eerste stap gedaan om school en werk beter op elkaar af te stemmen. Dat de scholen niet echt bereid zijn om er iets aan te doen, maakt de zaak niet gemakkelijker. De invoering van de schoolcheque voor elk kind, kan soelaas brengen.
...

Frank Vandenbroucke, de Vlaamse SP.A-minister van Werk en Onderwijs, heeft niet meer dan een eerste stap gedaan om school en werk beter op elkaar af te stemmen. Dat de scholen niet echt bereid zijn om er iets aan te doen, maakt de zaak niet gemakkelijker. De invoering van de schoolcheque voor elk kind, kan soelaas brengen. Scholen met een bouwopleiding krijgen 500 euro per leerling die na zijn studies doorstroomt naar de bouwsector. De sector trekt 900.000 euro uit voor de overeenkomst die hij sloot met het ministerie van Onderwijs. Het is één van de 24 akkoorden die de Vlaamse bedrijfssectoren in 2006 ondertekenden om onderwijs en bedrijfsleven gemakkelijker op elkaar te doen aansluiten. Deze akkoorden zijn nuttig en noodzakelijk, maar betekenen niet meer dan een eerste stap. Bedrijfsleiders blijven klagen over hun zoektocht naar jong geschoold personeel. Scholen zijn nog altijd te weinig jobgericht. Voor een aantal functies (pijpfitters, vacatures in de kunststoffenbranche) blijkt er anno 2007 nog altijd geen specifieke opleiding te bestaan. Ondernemers ergeren zich ook aan het tekort aan stagelopende leraren op de werkvloer. Achter de schooluren bijklussen, is geen probleem voor veel leerkrachten uit het technisch onderwijs. Een tijdje in een privé-bedrijf rondlopen, is echter een brug te ver. De versnippering tussen de verschillende projecten is een ander pijnpunt. Elk onderwijsnet wil op zijn manier de banden met het bedrijfsleven aanhalen. Ondertussen wordt er over de herwaardering van het technisch onderwijs vooral gepraat zonder dat er daden volgen. Bovendien investeert ons onderwijs te weinig in werkattitude. Jongeren die van de schoolbanken komen weten vaak niet hoe ze in een werkomgeving met andere mensen moeten samenwerken. Dit alles is oplosbaar, tenminste als de onderwijsnetten en de scholen er zich meer voor engageren. Dat doen ze niet omdat ze zich, als aanbieders van het product onderwijs, in een zeer comfortabele situatie bevinden. De overheid financiert hén en niet de verbruikers, de ouders en hun kinderen. Geef die onderwijsconsument een schoolcheque. Hij kiest de school die het best beantwoordt aan zijn behoeften (een opleiding voor een goede job) waarop die school de schoolcheque int. Zo'n schoolcheques verhogen de keuzevrijheid. Maar verantwoordelijken van de netten doen het idee af als een curiosum dat enkel in de Angelsaksiche landen thuishoort. Een andere piste kan bestaan in de outputfinanciering van de scholen. Frank Vandenbroucke wil het systeem toepassen in het hoger onderwijs: onderwijsinstellingen krijgen het geld niet op basis van de ingeschreven studenten, maar wel op basis van het aantal afgestudeerden. Waarom dit systeem ook niet toepassen in het technisch- en beroepssecundair onderwijs? Het koppelt de financiering dan voor een deel aan het aantal leerlingen dat na een technische opleiding onmiddellijk de weg naar de arbeidsmarkt heeft gevonden. Dat bonussysteem bestaat al in overeenkomsten tussen onderwijs en bedrijfssectoren. Laten we er een malussysteem aan toevoegen. Scholen die investeren in de relatie met het bedrijfsleven zullen er enkel bij winnen. Alain Mouton