Steeds meer koppels kiezen ervoor om wettelijk samen te wonen. In 2000 gingen nog ongeveer 5000 Belgen samenwonen, in 2010 kwamen er al 70.000 per jaar bij. Daarbovenop gaan heel wat landgenoten feitelijk samenwonen. Dat betekent dat er per jaar ongeveer evenveel mensen wettelijk gaan samenwonen dan dat er trouwen.
...

Steeds meer koppels kiezen ervoor om wettelijk samen te wonen. In 2000 gingen nog ongeveer 5000 Belgen samenwonen, in 2010 kwamen er al 70.000 per jaar bij. Daarbovenop gaan heel wat landgenoten feitelijk samenwonen. Dat betekent dat er per jaar ongeveer evenveel mensen wettelijk gaan samenwonen dan dat er trouwen. Personen die gaan samenwonen, kunnen kiezen tussen de wettelijke en de feitelijke samenwoning. In het eerste geval leggen ze een verklaring af bij de ge-meente; bij een feitelijke samenwoning doen ze dat niet. Wettelijke samenwoners behouden hun persoonlijke goe-deren; wel is in de wet een vermoeden van onverdeeldheid opgenomen. Dat betekent dat van goederen waarvan een partner niet kan bewijzen dat ze van hem zijn, wordt vermoed dat ze in onverdeeldheid toebehoren aan beiden. Hoewel dat niet expliciet in de wet staat, geldt voor feitelijke samenwoners in grote mate hetzelfde. Het eigendomsrecht van onroerende goederen, zoals een woning of een appartement, valt gemakkelijk te bewijzen. In de notariële akte van de aankoop of van de schenking staat wie de eigenaar is. Voor meubelen en andere roerende goederen ligt dat moeilijker. Het bewijs van het eigendomsrecht kan daar worden geleverd door bijvoorbeeld facturen, betalingsbewijzen of een eerdere inventaris voor te leggen. Om discussies te vermijden, is het raadzaam aan het begin van de samenwoning een inventaris op te maken. Daarin noteren de partners gedetailleerd welke goederen van wie zijn; daarna ondertekenen en dateren ze het document. Voor derden, zoals schuldeisers, vormt de inventaris een minder goed bewijs; die kunnen de waarachtigheid van de inventaris betwisten. Kopen de samenwoners later samen goederen aan, dan denken ze er het beste over na wat ermee moet gebeuren als ze later uit elkaar zouden gaan. Als de goederen worden betaald met geld van een partner en de factuur op diens naam staat, is het duidelijk dat ze aan hem toebehoren. Willen ze dat het goed van hen beiden is, dan vragen ze een factuur op hun beider naam en betalen ze het bedrag met geld van een gezamenlijke rekening. Gaan de samenwoners uit elkaar, dan kunnen de partners hun eigen goederen terugnemen. Zaken die in onverdeeldheid zijn of waarvan niet kan worden bewezen dat ze aan een van beiden toebehoren, moeten worden verdeeld. Ze kunnen die goederen in onderling akkoord verdelen, waarbij ze twee delen -- zogenoemde kavels -- samenstellen en ieder er één mag kiezen. Een andere mogelijkheid is dat de een de ander uitkoopt, of ze kunnen de goederen aan een derde verkopen en het geld verdelen. Om een idee te krijgen van de waarde van onroerende goederen, kunnen ze een schatting vragen aan een landmeter, een schatter of een notaris. Voor een wagen kunnen ze een garagehouder vragen wat de normale waarde van het voertuig is. Raken ze het niet eens, dan kan ieder naar de rechtbank stappen om uit de onverdeeldheid te treden. Voor zo'n procedure doen ze het beste een beroep op een advocaat. De rechtbank benoemt een notaris die met de vereffening-verdeling wordt gelast. Zo'n verdeling kan jaren aanslepen en heel wat geld kosten. Aan het einde van de samenwoning moeten de ex-partners ook een regeling treffen over de schulden die ze samen zijn aangegaan, zoals een hypothecaire lening. Bij zo'n krediet hebben ze zich vermoedelijk samen -- in hoofdelijkheid -- verbonden tegenover de bank. Schuldeisers zijn niet gebonden door de regeling die de leners onderling treffen. Neemt de ene partner de lening en de woning over, dan is het belangrijk daarvoor het akkoord van de bank te vragen, zodat de andere partner wordt ontlast als kredietnemer. De bank zal niet ingaan op dat verzoek als ze vindt dat de partner die de lening overneemt, onvoldoende terugbetalingscapaciteit heeft. Het gebeurt vaak dat een van de samenwoners tijdens de relatie geld geeft aan de ander -- bijvoorbeeld om be-paalde schulden af te lossen -- of investeert in een onroerend goed van de ander. Ook wordt weleens een onroerend goed op beider naam gekocht, waarbij de ene partner heel wat meer betaalt dan de andere. In zo'n gevallen is het niet altijd eenvoudig die bedragen aan het eind van de samenwoning te recupereren. Die partner moet dan niet alleen aantonen dat hij geld heeft gegeven, maar ook dat er een rechtsgrond is om dat bedrag terug te eisen. Daar durft het schoentje weleens te wringen. De wet zegt dat contracten moeten worden bewezen met een geschrift, en dat is er veelal niet. Wie het geld heeft betaald, riskeert dat hij aan het kortste eind trekt. Wie investeert in het onroerend goed van zijn partner of meer bijdraagt dan de ander in de gezamenlijke aankoop van een onroerend goed, doet er verstandig aan de afspraken daarover op voorhand op papier te zetten. In die overeenkomst moet duidelijk staan wat er moet gebeuren als een van beiden overlijdt of als er een einde komt aan de samenwoning. Zo kan worden vastgelegd dat er sprake is van een lening, die moet worden terugbetaald. Het is ook belangrijk te bepalen of daarop intresten verschuldigd zijn en wat er moet gebeuren met een eventuele meerwaarde van het onroerend goed. Zowel wettelijke als feitelijke samenwoners kunnen een samenlevingscontract afsluiten. Daarin kunnen ze heel wat meer regelen dan welke goederen van wie zijn. Zo kunnen ze aangeven welk bedrag ze beiden maandelijks op de gemeenschappelijke bankrekening storten om de kosten van het huishouden te betalen, wat ze met die rekening betalen, enzovoort. Gaat het om een wettelijke samenwoning, dan moet zo'n contract bij de notaris worden opgemaakt; voor feitelijke samenwoners hoeft dat niet. JAN ROODHOOFT