In de vijftig jaar tussen het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1865 en het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was er een groep ondernemers die aan de spits stonden van de omvorming van de Verenigde Staten van een landbouw- tot een industriële maatschappij. Ze bouwden gigantische zakenimperiums uit en vergaarden enorme fortuinen. In 1848 was de koopman John J. Astor met 20 miljoen dollar (vandaag is dat 545 miljoen dollar) de rijkste man van Amerika. Tegen de tijd dat de Verenigde Staten hun intrede in de Eerste Wereldoorlog deden, was John D. Rockefeller hun eerste miljardair geworden.
...

In de vijftig jaar tussen het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1865 en het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was er een groep ondernemers die aan de spits stonden van de omvorming van de Verenigde Staten van een landbouw- tot een industriële maatschappij. Ze bouwden gigantische zakenimperiums uit en vergaarden enorme fortuinen. In 1848 was de koopman John J. Astor met 20 miljoen dollar (vandaag is dat 545 miljoen dollar) de rijkste man van Amerika. Tegen de tijd dat de Verenigde Staten hun intrede in de Eerste Wereldoorlog deden, was John D. Rockefeller hun eerste miljardair geworden. In de vijftig jaar sinds Data General eind de jaren zestig de eerste minicomputers introduceerde, was er een groep ondernemers die aan de spits stonden van de overgang van een industrieel tijdperk naar een informatiemaatschappij. Ook zij bouwden gigantische zakenimperiums uit en vergaarden enorme fortuinen. Toen hij in 1992 overleed, was Sam Walton, de oprichter van Walmart, met 8 miljard dollar waarschijnlijk de rijkste man in Amerika. Vandaag is dat Bill Gates met 82,3 miljard dollar. De eerste groep staat bekend als de 'robber barons' of roofbaronnen, de tweede groep -- noem ze techtycoons -- kan hetzelfde lot te wachten staan. Net als hun voorgangers werden ze ooit vereerd als vindingrijke baanbrekers. Maar net als Rockefeller en de andere rijke schurken beginnen de nieuwe kapitalisten hun glans te verliezen. Ze zijn gaan diversifiëren naar zaken die nog maar weinig te maken hebben met computers. Tegelijk verkondigen ze dat zij alleen de problemen van de mensheid -- van het verouderingsproces tot ruimtereizen -- kunnen oplossen. Daarnaast worden ze aan de kaak gesteld als hebzuchtige zakenlui, die politici omkopen, goedkope arbeidskrachten uitbuiten, andere aandeelhouders bedriegen en -- vooral -- de markt monopoliseren. Rockefeller controleerde ooit 80 procent van alle petroleum in de wereld; vandaag heeft Google 90 procent van de Europese en 67 procent van de Amerikaanse zoekmarkt in handen. Alle businesstitanen hebben een aantal dingen gemeen: een staalharde vastberadenheid om hun dromen te verwezenlijken, een overdadige appetijt voor succes en, naarmate ze ouder worden, een gecompliceerde verhouding tot de vruchten van hun arbeid. Maar de baronnen en de tycoons hebben meer gemeen: ze zijn de übermenschen van het Amerikaanse kapitalisme in de voorbije tweehonderd jaar, die de toekomst in hun botten voelen en die toekomst ook verwezenlijken -- en daarbij soms te ver gaan. De meest opvallende gelijkenis is dat ze de materiële basis van de beschaving vormgaven. Spoorwegbaronnen als Leland Stanford en E.H. Harriman legden meer dan 300.000 kilometer rails en schiepen zo een nationale markt. Andrew Carnegie verving ijzer door het meer veelzijdige staal. Ford luidde het tijdperk van de automobiel in. Gates probeerde de computer naar elk kantoor en elk huis te brengen. Larry Page en Sergey Brin brachten 's werelds informatie binnen ieders bereik. Mark Zuckerberg maakte het internet sociaal. Net zoals de spoorwegen het voor obscure ondernemingen mogelijk maakten om alles, van voeding (Heinz) tot wasproducten (Procter & Gamble), radicaal te veranderen, laat het internet ondernemers toe om alles, van detailhandel (Amazon) tot vervoer (Uber), te ontwrichten. Beide betrouwden ze op de onwrikbare logica van de schaalvoordelen. De roofbaronnen begonnen met opvallende innovaties -- in het geval van Ford was dat een efficiëntere manier om petroleum om te zetten in kracht -- maar hun ware genialiteit schuilde in hun vermogen om die innovaties op een hoger niveau te tillen om de concurrentie onder druk te zetten. Dankzij schaalvoordelen konden de roofbaronnen ook voortdurend de prijzen drukken en de kwaliteit verhogen. Henry Ford verlaagde de prijs van zijn model T van 850 dollar tijdens het eerste productiejaar tot 360 dollar in 1916. In 1924 kon een veel betere versie gekocht worden voor amper 290 dollar. De techtycoons haalden net dezelfde trucs boven. De prijs van computeruitrusting is, aangepast voor inflatie en kwaliteit, in de voorbije vijf decennia van 1959 tot 2009 met 16 procent afgenomen. De roofbaronnen hekelden de toezichthouders in naam van de vrije markt, maar monopolie beviel hen beter. Rocke-feller betreurde de 'vernietigende concurrentie' in de oliesector, met zijn cyclus van overschotten en tekorten, en legde zich erop toe een continue aanvoer te verzekeren. Een eerste trust werd in 1882 opgericht rond Standard Oil met de bedoeling zijn rivalen ervan te overtuigen de controle over hun maatschappijen op te geven in ruil voor een gegarandeerd inkomen en een rustig leven. "De Standard was een reddende engel die vanuit de hemel naar beneden reikte en zei 'Kom in de ark. Neem uw oude rommel mee. Wij nemen al de risico's'", schreef hij. Anderen volgden. Hoewel de Sherman-antitrustwet van 1890 dergelijke constructies verbood omdat ze de vrije handel beperkten, werd die wetgeving door de baronnen geneutraliseerd of omzeild met een ander instrument waarmee ze de controle konden behouden, de holding. In het begin van de 20ste eeuw hadden trusts en holdings bijna 40 procent van de Amerikaanse industriële activa in handen. Alfred Chandler, de deken van de Amerikaanse businesshistorici, vatte de honderd jaar die volgden op de burgeroorlog samen als "tien jaar concurrentie en negentig jaar oligopolie". De techtycoons hebben het makkelijker. Ze komen wel eens in aanraking met de wet -- Google en Apple werden op de vingers getikt omdat ze informeel overeengekomen waren niet onder elkaars duiven te schieten -- maar netwerkeffecten, die maken dat een dienst waardevoller wordt naarmate hij meer klanten heeft, doen hun activiteiten naar een monopolie neigen. In de digitale wereld komt het alternatief vaak neer op vernietiging. In Zero to One bracht Peter Thiel, de geestelijke vader van PayPal, het als volgt onder woorden: "Alle mislukte ondernemingen zijn hetzelfde: ze slaagden er niet in aan de concurrentie te ontsnappen." In beide gevallen resulteert het in een ongekende machtsconcentratie. Een eeuw geleden hadden de roofbaronnen transport en energie in hun greep. Tegenwoordig leveren Google en Apple 90 procent van de besturingssystemen in de smartphones; meer dan de helft van de Noord-Amerikanen en een derde van de Europeanen gebruiken Facebook. De techtycoons behoren tot de schaarse zakenlieden die met de roofbaronnen kunnen wedijveren wat vermogen betreft. Carnegie stond erop altijd meer dan de helft van zijn onderneming in handen te hebben. Vandaag worden de meeste firma's aangehouden door veel aandeelhouders. De grootste aandeelhouder van Exxon, het kleinkind van Standard Oil, is Rex Tillerson, de CEO van de maatschappij. Hij bezit 0,05 procent van de aandelen. In de techsector gaat het er heel anders aan toe: samen bezitten Brin en Page, de twee oprichters van Google, en Eric Schmidt, uitvoerend voorzitter, twee derde van Googles aandelen met stemrecht. Zuckerberg bezit 20 procent van de Facebook-aandelen en bijna alle B-aandelen van de onderneming, die tien keer meer stemrechten opleveren dan gewone aandelen. Relatief gezien zijn de techtitanen niet zo rijk als de roofbaronnen. Toen Rocke-feller zich in het begin van de 20ste eeuw terugtrok, was zijn nettovermogen gelijk aan ongeveer een dertigste van het Amerikaanse bbp. Toen Gates in 2000 een stap opzijzette als CEO van Microsoft, was zijn nettovermogen misschien gelijk aan een honderddertigste van dat bbp. Niettemin vertegenwoordigden ze allebei de belangrijkste concentratie van zakelijk vermogen ter wereld. Het tijdperk van de roofbaronnen leidde onverbiddelijk naar het tijdperk van de populistische revolte met zijn massale stakingen, zijn antimonopoliewetgeving, zijn sociale hervormingen en uiteindelijk de New Deal van de jaren dertig. De roofbaronnen hadden te veel mensen geruïneerd en te veel regels overtreden. Dat de techtycoons zich maar een fractie van die woede op de hals halen, is niet verwonderlijk: met hun relatief kleine, goed betaalde groepen arbeidskrachten raken ze niet verwikkeld in dezelfde strijd met de vakbonden die de roofbaronnen tot bullebakken maakte. In 1901 werkte een kwart miljoen mensen voor US Steel, de creatie van Carnegie. Dat was meer dan de Amerikaanse land- en zeemacht samen. Google heeft meer dan 50.000 mensen in dienst, Facebook 8000 en Twitter 3500. De elektronische speeltjes die de techtycoons produceren, wekken ook meer affectie op bij de consumenten dan de basisproducten en infrastructuur die de roofbaronnen voortbrachten. Toch begint het ongenoegen op te borrelen. Het begon in 1994, toen de Amerikaanse regering Microsoft met succes vervolgde wegens verkoop tegen roofprijzen en het ondermijnen van de concurrentie. De EU overweegt op dit ogenblik mogelijkheden om de dominante positie van Google op de zoekmarkt te fnuiken. De voornaamste bezwaren tegen de techtycoons gaan over de privacy. De technologiesector verdient veel geld met het binnenhalen van privé-informatie. "We weten waar u bent", zegt Schmidt. "We weten ook waar u bent geweest. We kunnen min of meer te weten komen waaraan u denkt." De EU werkt aan een privacyverordening die strikte regels kan invoeren aangaande gegevensinzameling en in 2016 van kracht moet worden. Ondanks de toenemende bezorgdheid zijn er weinig aanwijzingen dat de trend gaat keren. De Verenigde Staten beschikken over de juiste formule om ondernemers voort te brengen. Ze trekken talent aan van over heel de wereld. Carnegie was de zoon van een verpauperde Schotse wever, Brin is de zoon van Russische immigranten. Het vermogen om dergelijke mannen voort te brengen, stelde Amerika in staat om eens te meer een voorsprong te nemen op de rest van het Westen. Terzelfder tijd wijst de tegenstroom tegen de roofbaronnen op een ander aanslepend thema: de spanning tussen big business en democratie. Hun bewondering voor selfmade miljonairs maakt de Amerikanen wantrouwig tegenover omvangrijke organisaties. Presidenten schurken zich dan wel tegen die organisaties aan om het geld in te zamelen dat ze nodig hebben voor hun kiescampagnes. Maar het wantrouwen tegen grootte neemt opnieuw toe, zowel aan de rechter- als de linkerzijde. Het laatste aanhoudende thema in de geschiedenis van de Amerikaanse baronnen is het verhaal van de filantropie. Carnegie verklaarde dat "de man die rijk sterft in schande overlijdt". De roofbaronnen (onder wie Carnegie) stierven niet bepaald arm, maar ze werden op latere leeftijd allen filantroop. Carnegie trachtte kansengelijkheid een betekenis te geven door 2811 openbare bibliotheken op te richten. Rockefellers intellectuele erfenis, de universiteit van Chicago, is een van de befaamdste van de Verenigde Staten. De stichting van Gates is een van de grootste in de wereld. In Amerika scheppen ondernemers niet louter grotere vermogens, ze werpen ook een langere schaduw vooruit. THE ECONOMISTTechtycoons werden ooit vereerd als vindingrijke baanbrekers. Maar net als hun voorgangers beginnen die nieuwe kapitalisten hun glans te verliezen. De baronnen en de tycoons zijn de übermenschen van het Amerikaanse kapitalisme, die de toekomst in hun botten voelen en die toekomst ook verwezenlijken -- en soms te ver gaan.