De jongste tijd is het bon ton om de Chinese economie af te schrijven. China zou met enkele onhoudbare problemen kampen, om te beginnen een berg onverkochte woningen. Dat is een verkeerde diagnose, zo blijkt. Volgens de vastgoedconsultant E-House vergt het nu zestien maanden om de voorraad nieuwe huizen weg te werken in het huidige verkoopritme, tegen tien maanden toen de vastgoedmarkt er beter aan toe was. Dat kun je moeilijk een nachtmerrie noemen.
...

De jongste tijd is het bon ton om de Chinese economie af te schrijven. China zou met enkele onhoudbare problemen kampen, om te beginnen een berg onverkochte woningen. Dat is een verkeerde diagnose, zo blijkt. Volgens de vastgoedconsultant E-House vergt het nu zestien maanden om de voorraad nieuwe huizen weg te werken in het huidige verkoopritme, tegen tien maanden toen de vastgoedmarkt er beter aan toe was. Dat kun je moeilijk een nachtmerrie noemen. Het echte probleem is de vertragende urbanisatie, en het feit dat vele verstedelijkte Chinezen hun grauwe woonkazernes al ingeruild hebben voor betere flats. Dat weegt op de bouw, en zo op de economische groei. Een groeidaling van de bouw met 10 procentpunt knipt 3 procentpunt van de groei weg, volgens de bank UBS. Ook de alarmkreten over de torenhoge Chinese schuldgraad -- 250 procent van het bbp -- verdienen relativering. Het overgrote deel van de schuld zit in binnenlandse handen, en vaak gehoorzamen schuldenaar en schuldeiser aan dezelfde baas, namelijk de overheid. Een staatsbank zal geen schuldaflossing eisen van een scheepsbouwer in staatshanden. Bovendien zitten de schulden geconcentreerd, enerzijds bij de lokale overheden, en anderzijds bij een kleine groep van staatsbedrijven, projectontwikkelaars en bouwfirma's. Noch de gezinnen, noch de centrale overheid hebben zwaar geleend. Wat niet betekent dat de vooruitzichten voor de schuldgraad goed zijn. De kredietgroei ligt een kwart lager dan het gemiddelde in het voorbije decennium, maar de economische groei is nog trager, zodat de schuldgraad blijft stijgen. Maar China is lang geen vogel voor de kat. De economische groei heeft nog veel potentieel. Gerekend in koopkrachtpariteit, is het Chinese bbp per hoofd niet eens twee derde van het Turkse, en amper een derde van het Zuid-Koreaanse. Voor de industriële overcapaciteit is er beterschap in zicht. De jongste jaren is de investeringsgroei gehalveerd, terwijl de consumptiegroei stabiel bleef, zodat de economie meer in balans komt. In de toekomst zal het aandeel van de consumptie in de groei allicht stijgen. Dankzij de opbouw van een sociaal vangnet hoeven de Chinezen minder geld opzij te leggen voor de oude dag of ziekte. Ander goed nieuws is de opkomst van de dienstensector. Diensten zijn arbeidsintensief, zodat China veel jobs kan creëren, ook al is de groei lager. Hoewel de groei vorig jaar tot zijn laagste niveau zakte in meer dan twee decennia, kwamen er in de steden 13,2 miljoen jobs bij, een record. De sterke jobmarkt zorgt bovendien voor stijgende lonen, op hun beurt goed voor de consumptie. En de Chinese overheid pakt constructiefouten in het economisch systeem aan. De vrijmaking van de intrestvoeten moet spaarders een correcte opbrengst bezorgen, en een einde maken aan de artificieel goedkope kredieten, en de daaruit volgende overinvesteringen en overcapaciteit. Kredietverschaffers zullen het risico correcter moeten leren inschatten, zodat het geld naar weloverwogen projecten gaat. Ten slotte pakt Peking de zware schulden van de lokale overheden aan, die met veel verplichte uitgaven zitten, maar met weinig bronnen van inkomsten. Zij krijgen meer geld uit de centrale pot, en uitgebreidere mogelijkheden om belastingen te heffen. De economische hervormingen zullen pijn doen, en dat weet ook de Chinese top. De Chinese premier Li Keqiang vergeleek het met de pijn van een soldaat die zijn vergiftigde arm afsnijdt om te kunnen blijven vechten. Leiders die de werkelijkheid niet verbloemen, het is een goed begin.