Vorige week werd in Tokio het glas geheven ter ere van Toshihiko Fukui, de man die begin 2003 gouverneur werd van de centrale bank (BoJ/Bank of Japan). Met een soepel monetair beleid en een kortetermijnrente van vrijwel nul heeft hij het banksysteem en de stagnerende economie weer aan de praat gekregen. Meer nog, er werd getoast op het feit dat Fukui het einde van de deflatie in het vooruitzicht stelt en de BoJ voor het eerst sinds 2001 minder liquiditeiten in commerciële banken pompt (waarmee ze niet-betaalde bankschulden afschreven).
...

Vorige week werd in Tokio het glas geheven ter ere van Toshihiko Fukui, de man die begin 2003 gouverneur werd van de centrale bank (BoJ/Bank of Japan). Met een soepel monetair beleid en een kortetermijnrente van vrijwel nul heeft hij het banksysteem en de stagnerende economie weer aan de praat gekregen. Meer nog, er werd getoast op het feit dat Fukui het einde van de deflatie in het vooruitzicht stelt en de BoJ voor het eerst sinds 2001 minder liquiditeiten in commerciële banken pompt (waarmee ze niet-betaalde bankschulden afschreven). Economen wijzen er echter op dat het stopzetten van Fukui's ongewone schoktherapie een delicate operatie is. Dat zou in het najaar kunnen gebeuren of in de loop van 2006, maar het blijft voorzichtig aftasten, omdat de ingreep het prille economische herstel in de kiem zou kunnen smoren. Tegelijk kan het te lang aanhouden van de huidige koers de inflatie aanwakkeren. Fukui's dilemma wijst hoe dan ook op een merkwaardig contrast met de periode vóór hij het roer van de BoJ in handen nam. Bij zijn aantreden zat Japan op de rand van de afgrond, met beurskoersen op een historisch dieptepunt. In de eerste 3 maanden van dit jaar groeide de economie met 5,3 % (op jaarbasis), de beurs slaat weer aan, bankschulden zijn op een beheersbaar niveau teruggevallen, de werkloosheid is gezakt tot nauwelijks 4,7 % en de BoJ verwacht dat de consumentenprijzen lichtjes zullen opveren - voor het eerst sinds 1998. Al dat goede nieuws valt samen met een Belgische handelsmissie en een bezoek van prins Filip en zijn gevolg aan de Wereldtentoonstelling Aichi 2005 in Nagoya. Nochtans waarschuwt het Britse businessblad The Economist voor overdreven optimisme: "Wanneer Japan zowel goede als mindere cijfers voorlegt, is het geraden zich te houden aan de minst vrolijke prognoses." Na twee kwartalen met meer dan 6 % reële groei - wat effectief een prestatie was, vergeleken met flauwe gemiddelden van 1 % in de jaren negentig - kondigde de BoJ zowat midden 2004 al het einde af van de recessie en deflatie. Het consumentenvertrouwen bleek opnieuw aan te slaan. Er zijn zelfs tekenen dat het weer beter gaat met vastgoed. Maar sceptici wijzen erop dat de economische heropleving gevoed wordt door externe factoren, niet het minst door de vraag uit China, de export naar de rest van Azië en de Verenigde Staten. Miljarden yen gingen tijdens de crisis naar behoud van sociale stabiliteit en het inperken van bedrijfsfaillissementen, geld dat sneller gebruikt had kunnen worden om structurele problemen aan te pakken. Dat voorzichtige beleid eindigde in deflatie en een nog altijd fragiel banksysteem. Die politiek dikte ook een gigantische staatsschuld aan (160 % van het bruto binnenlands product) en resulteerde in een internationale kredietrating die beter aansluit bij een bananenrepubliek dan bij de tweede grootste economie van de wereld. Lijkt Japan met de snelst verouderende bevolking ter wereld dan toch gewoon verder te kwakkelen of rijst de zon weer in het oosten? Om te begrijpen wat er echt aan de hand is in Japan, moeten we even terug naar de jaren tachtig, toen de wereld vol bewondering opkeek naar het Japanse mirakel en de roep weerklonk om protectionisme tegen een vloedgolf van almaar betere producten van de keiretsu. Die gediversifieerde concerns zorgden, dankzij overheidssteun en vlotte bankleningen, al gauw voor industriële overcapaciteit en voedden een gigantische vastgoedbubbel. De luchtbel barstte in 1993 en veroorzaakte een ongeziene recessie. Japan begon aan een gestage afbouw van zijn industriële overcapaciteit en na lang aarzelen begonnen bankiers in 1997 de schuldenberg af te schrapen. Sinds 2002 gaat het haperend - op en af - langzaam beter. De Japanse economie kan nu terugvallen op wereldtrends die er tien jaar geleden niet waren: vooral de enorme vraag uit China, waar allerlei Japanse machines, uitrustingsgoederen en consumentenproducten massaal naartoe stromen. In 2003 overtrof die handel (133 miljard dollar) voor het eerst de import- en exportvolumes met de VS. Ook met Zuidoost-Azië draait de exportmachine weer op volle toeren (60 miljard dollar). Japanse technologiebedrijven profiteren bovendien van de wereldwijde vraag naar de nieuwste elektronische speeltjes (zoals digitale camera's, vlakschermtelevisies en dvd-spelers). De digitale revolutie bezorgt de Japanse elektronica-industrie een tweede jeugd. Elektronicabedrijven investeren, na een periode van productieverschuiving naar lagelonenlanden, fors in eigen land. Daar worden nieuwe hoogtechnologische onderdelen gemaakt, waarin Japanners voorlopen op concurrenten als Zuid-Korea, Taiwan en China. Fujitsu en Matsushita controleren samen 42 % van wereldmarkt in plasmaschermen, terwijl Sony, Canon en Olympus wereldleiders zijn in digitale camera's. Al die topbedrijven bouwen volop fabrieken in Japan, omdat ze het belang ondervonden van de nabijheid van hun belangrijkste afzetmarkt. Dat is nog steeds Japan, waar consumenten voortdurend uitkijken naar de nieuwste modetrends. En omdat digitalisering het kopiëren vergemakkelijkt, kan dat het best afgeschermd worden in de thuismarkt. Voeg daarbij dat andere firma's voor al die snufjes ook de nodige machines bouwen. De vrees dat China alle industrie uit Japan zou wegzuigen, bleek dus ongegrond. Ingrijpender was dat de machtige keiretsu hun greep op de economie verloren. Na een lange doodsstrijd gingen de zwakste failliet aan schulden, de slabakkende vraag en deflatie. Andere bleven in lagelonenlanden produceren, terwijl spelers in de hoogtechnologische voorhoede na herstructureringen efficiënter zijn gaan produceren. Om die reden bracht Kenwood in 2003 zijn productie voor minidisc-spelers over van Maleisië naar Japan. Tegelijk deed de Japanse consument zijn voordeel bij dalende consumptieprijzen. Winkelketens boden goedkopere importgoederen aan, wat de lagere koopkracht compenseerde. Al die factoren samen hielpen Japan NV weer op dreef. Investeerders kregen opnieuw vertrouwen en de beurs schoot omhoog. Tot midden jaren negentig was ruim de helft van de beursaandelen in handen van banken, dochters van keiretsu. Nu is dat nog een kwart. Ongeveer 30 % van de beurs van Tokio zit bij buitenlandse investeerders (tegen 4,7 % in 1989 en 14,1 % in 1998). Zij eisen strengere regels voor deugdelijk bestuur, meer transparantie en hogere winsten. Japanse bedrijven genereren doorgaans sterke cashflows en die moeten beter gaan renderen. In 2003 waagden Amerikaanse privé-kapitaalfondsen zich aan de eerste vijandige overnamebiedingen. Twee banken, Sumitomo en Mitsubishi, raakten verwikkeld in een overnamestrijd. Het is allemaal zeer ongewoon in het Japanse huishouden en wijst erop dat een en ander fundamenteel beweegt. Nadat de relaties met China, wegens emotioneel oplopende disputen over het Japanse oorlogsverleden, naar een dieptepunt zakten en Chinezen zelfs opriepen tot een boycot van Japan, rees er ongerustheid over de duurzaamheid van het herstel. De heropleving zou ook in het gedrang kunnen komen als de Chinese motor zou beginnen sputteren. De export naar China was in de eerste maanden van dit jaar gedaald. De Chinese voortrekkersrol is onzeker, omdat sommigen waarschuwen voor een Chinese zeepbel die de investeringsgolf en privé-consumptie in Japan mee opgestuwd heeft, maar snel kan inzakken als China over de kop zou gaan. Leveranciers van staal, papier, en bouwmaterialen draaien hoofdzakelijk op Chinese vraag. Optimisten sussen dan weer dat China afstevent op een zachte landing en dat bijgevolg alleen een weinig waarschijnlijke crash in de VS de Japanse relance kan verstoren. China kan misschien door hoogten en laagten gaan, maar Japan NV beschikt daar in haar achtertuin over een goedkope productiebasis. Conclusie: zolang er politiek niets ernstigs fout loopt tussen Peking en Tokio, kan de Japanse motor, mede door China, op koers blijven. Dé cruciale vraag: staat Japan voor een doorstart? Het antwoord: in sommige domeinen wel, in andere nauwelijks. De nieuwe economie, gegroeid zonder overheidsinmenging en gedreven door individuele ondernemers of onderhevig aan internationale competitie, boert goed. Dat doen ook de kampioenen, multinationals in elektronica, staal en autoproductie - denk aan Nissan. Matsushita zette flink het mes in zijn personeelsbestand - wat vroeger ondenkbaar was: 20 % minder werknemers dan in 2000. Delen uit de oude economie ondergingen eveneens een facelift. Een voorbeeld? Toray Industries, fabrikant van synthetische vezels, maakt nu materialen voor LCD-panelen. Staalproducent JFE Holdings werkte zich na een afslankingskuur uit de rode cijfers. Volgens Goldman Sachs & co. is de gemiddelde return on equity van de top-400 van de niet-financiële ondernemingen sinds 1998 verviervoudigd tot 7 %. Dat zou in 2006 kunnen oplopen tot 10 %. Een andere nieuwigheid is dat meer werknemers bereid zijn deeltijds te werken, wat de flexibiliteit verhoogt. Toch zijn de oude kwalen in tal van bedrijven hardnekkig. De arbeidsproductiviteit steeg licht, maar dat geldt hoofdzakelijk in grote concerns als Toyota en Canon. Die productiviteit ligt ruwweg 30 % lager dan in Europa en de VS. De achterstand is groot in dienstensectoren, de distributie, bouw en voedingsverwerkende nijverheden (samen goed voor 60 % van de tewerkstelling). Dat vertaalt zich in kleine winstmarges. Waarnemers willen ook eerst zien of de Japan Fair Trade Commission (JFTC) overtreders van vrijemarktregels voor de rechter zal dagen. Vooral in de bouwsector, maar ook kleinere bedrijven en de groot- en kleinhandel blijven afgeschermd van vrije concurrentie. Het debat is actueel, omdat wetgeving om de JFTC slagvaardiger te maken ter bespreking ligt in het parlement, maar wellicht pas in 2006 goedgekeurd zal worden. Hier krijgt premier Junichiro Koizumi sinds zijn aantreden in 2001 alvast ruim krediet voor. Niet-terugbetaalbare bankschulden werden aangezuiverd. Faillissementen en schuldaflossingen van bedrijven drongen de schuldratio van banken tegenover het BNP terug tot het niveau van halfweg jaren tachtig. Het draait nu bij de belangrijkste banken rond 5 % van de uitstaande leningen. Toch zullen ook in de banksector concurrentie en innovatie verder aangescherpt moeten worden. De productiviteit van kapitaal ligt in de VS 40 % hoger. Die discussie raakt de kern van het debat, omdat Japan NV er nog niet uit is voor welk type kapitalisme het kiest. En dat hangt samen met de vraag hoever het land zich wil openstellen voor buitenlandse concurrentie. Qua openstelling voor buitenlandse handel valt het beter mee dan algemeen gedacht (zie kader: Moeilijk maar winstgevend, vinden Belgische exporteurs). De gemiddelde invoerheffing op industriële goederen is 1,5 % tegen respectieve percentages van 3,5 en 3,6 in de VS en de Europese Unie. Ook voor niet-tarifaire barrières worden inspanningen gedaan. Maar voor directe buitenlandse investeringen (FDI) scoort Japan uitzonderlijk laag: volgens het Unctad 2004 World Investment Report groeiden de cumulatieve FDI van 0,3 % van het BNP in 1980 tot 2,1 % in 2003 (vergelijk met 35,6 % voor China en ongeveer 30 % in de VS en de EU). Daarmee staat Japan op de 132ste plaats tussen Burkina Faso en Bangladesh. Premier Koizumi wil dit tegen 2008 opkrikken tot 2,4 %. Maar alweer rijzen er vragen, want begin 2005 ontstond een discussie over belastingverhogingen op investeringen door buitenlandse bedrijven. Precies op het ogenblik dat een aantal transacties van durfkapitaalfondsen met interesse voor Japanse bedrijven in herstructurering op gang kwam: dat soort fondsen steeg van 100 in 2002 naar 1300 in 2004. Het investeringsvriendelijke beleid van Koizumi botst nog altijd met bureaucraten die "de ontmanteling van Japan NV" willen afremmen. Sinds 1998 zakten de consumptieprijzen jaarlijks met 1 %, tegenwoordig nog met 0,2 % op jaarbasis. Hoewel de deflatie niet bedwongen is, zijn er signalen dat de centrale bank haar zero-kortetermijnrente wil terugschroeven, omdat commerciële banken het voortaan zonder extra liquiditeiten kunnen rooien. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) waarschuwt echter voor een vroegtijdig stopzetten van die antideflatoire strategie. Inflatie moet samengaan met een duurzaam economisch herstel. Verwacht wordt dat prijzen geleidelijk zullen stijgen en dat de BoJ pas enkele maanden later de rente lichtjes zal optrekken. De Oeso port de BoJ aan te streven naar 2 % inflatie. Onder deflatoire omstandigheden kon de regering een begrotingstekort aanhouden van ongeveer 8 % van het BBP per jaar, gedekt door staatsobligaties bij financiële instellingen. Zo liep de staatsschuld op tot 160 % van het BBP, het hoogste percentage in de Oeso. Hoewel dat voor 97 % een binnenlandse schuld is, komen die uitgiften in de eerste drie jaar tot maturiteit. En dat maakt het ministerie van Financiën zenuwachtig, want inflatie betekent hogere schuldaflossingen, wat het terugdringen van het begrotingstekort bemoeilijkt. Om dat tekort (5 % in 2004) te drukken, lijken verdere belastingverhogingen (vooral op consumptie) en snoeien in de uitgaven onafwendbaar. Wil men het broze herstel niet smoren, wordt dat een delicate evenwichtsoefening. Op de langere termijn worstelt Japan met het dubbele probleem van een snel verouderende bevolking en het gefinancierd krijgen van zijn sociale zekerheid en pensioenstelsel. De krimpende bevolking (gekoppeld aan weerstand tegen immigratie) zal de consumptie ondermijnen. Analisten geven het land een groeipotentieel van ongeveer 2 % in de komende jaren. McKinsey Global Institute voorspelt dat de koopkracht van Japanse gezinnen de volgende twintig jaar eerst niet langer zal groeien en vervolgens zal krimpen. De positieve kant van het verhaal is dat Japan uit zijn zware depressie ontwaakt. De zon rijst, maar aan de horizon stapelen donkere wolken zich op. Of het meer dan een opklaring wordt, zal afhankelijk zijn van de bereidheid om het oude Japan, waar de groepsgeest overheerste, onder druk van de omstandigheden achter zich te laten en ruimte te scheppen voor individueel initiatief en vernieuwing. De economische cultuur past zich doorgaans aan de veranderende context aan. Kijk maar naar Oost-Europa en China. Erik Bruyland"Wanneer Japan zowel goede als mindere cijfers voorlegt, is het geraden zich te houden aan de minst vrolijke prognoses."Dé 2 Japanse problemen op termijn: l snel verouderende bevolking l financiering van sociale zekerheid en pensioenstelsel Het oude Japan, waar de groepsgeest overheerste, moet ruimte scheppen voor individueel initiatief en vernieuwing.