Als een werknemer of een bedrijfsleider een pc van zijn werkgever of vennootschap ook privé mag gebruiken, krijgt hij daarmee een belastbaar voordeel. Er wordt aangenomen dat hij daarmee een besparing doet. Voor de fiscus is die besparing -- en het daaraan gekoppelde voordeel -- een aanvulling op zijn gewone bezoldiging. Het voordeel in natura wordt samen met de bezoldigingen onderworpen aan hetzelfde belastingtarief. De waardering van de persoonlijke besparing is geen gemakkelijke opgave. Om de fiscale administratie daarbij te helpen, bevat de wetgeving regels om bepaalde voordelen forfaitair te bepalen. De forfaitaire waardering neemt in die gevallen de plaats in van de besparing.
...

Als een werknemer of een bedrijfsleider een pc van zijn werkgever of vennootschap ook privé mag gebruiken, krijgt hij daarmee een belastbaar voordeel. Er wordt aangenomen dat hij daarmee een besparing doet. Voor de fiscus is die besparing -- en het daaraan gekoppelde voordeel -- een aanvulling op zijn gewone bezoldiging. Het voordeel in natura wordt samen met de bezoldigingen onderworpen aan hetzelfde belastingtarief. De waardering van de persoonlijke besparing is geen gemakkelijke opgave. Om de fiscale administratie daarbij te helpen, bevat de wetgeving regels om bepaalde voordelen forfaitair te bepalen. De forfaitaire waardering neemt in die gevallen de plaats in van de besparing. In hoofde van de werkgever of de vennootschap die het voordeel toekent, geldt de regel dat de uitgaven die ze doen om een belastbaar voordeel toe te kennen, aftrekbare beroepskosten zijn. In feite gaat het om uitgaven om een bijkomend loon te betalen. Het is daarbij van geen belang of het voordeel in hoofde van de werknemer of de bedrijfsleider wordt berekend op basis van de werkelijke besparing of volgens de forfaitaire normen. Uitgaven van een werkgever die resulteren in een belastbaar loon van de werknemer, zijn fiscaal aftrekbare loonkosten. Dat is de loonkosten- of de bezoldigingstheorie. Bepaalde uitgaven die een vennootschap doet, zijn slechts gedeeltelijk aftrekbaar. Een bekend voorbeeld zijn de uitgaven voor personenwagens. De aftrek van de afschrijving en van de gebruikskosten hangt af van de CO2-uitstoot. De kosten van een voertuig met een uitstoot tot 60 gram per kilometer zijn voor 100 procent aftrekbaar. Ligt de CO2-uitstoot hoger, dan schommelt het aftrekbare bedrag tussen 50 en 90 procent. Als de kosten van een wagen bijvoorbeeld voor 75 procent aanvaardbaar zijn, is 7500 euro op een boekhoudkundige kostprijs van 10.000 euro aftrekbaar. Het saldo van 2500 euro is wel een uitgave voor de vennootschap, maar er wordt fiscaal geen rekening mee gehouden. Als de vennootschap het voertuig voor privégebruik ter beschikking stelt van een werknemer of een bedrijfsleider, aanvaardt de fiscale administratie dat er geen aftrekbeperking hoeft te worden toegepast. Als de werknemer in het voorbeeld wordt belast op een voordeel van 2000 euro voor het privégebruik van de wagen, zijn de gemaakte autokosten in feite loonkosten en zijn ze voor 100 procent aftrekbaar. Dat is een toepassing van de loonkostentheorie. De eigenlijke autokosten bedragen in die redenering 8000 euro (10.000 - 2000). Het zijn uitgaven waarvan de aftrek beperkt is tot 75 procent. Van de totale kosten van 10.000 euro is bijgevolg niet 7500 euro, maar wel 8000 euro fiscaal aftrekbaar. Een antwoord op een parlementaire vraag deed onlangs de wenkbrauwen fronsen. De minister van Financiën deelde mee dat zijn administratie voor de kosten van bedrijfswagens wilde afstappen van de loonkostentheorie. Dat zou betekenen dat de aftrekbeperking wordt toegepast op het volledige bedrag van de autokosten en dat er een einde komt aan de vermindering van de berekeningsgrondslag met het belaste voordeel. Meteen zou een uitgave om bijkomend loon te betalen een ernstige aftrekbeperking ondergaan. Onbegrijpelijk, en dat zag ook de minister in. Hij gaf zijn administratie de opdracht af te zien van haar voornemen en de loonkostentheorie in de toekomst verder toe te passen. Een juiste beslissing. In feite is er geen reden om de toepassing van de loonkostentheorie te beperken tot de gevallen dat een bedrijfswagen voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld van een werknemer of een bedrijfsleider. Als de vennootschap dezelfde personen een woning laat gebruiken voor privédoeleinden, kan ze zich eveneens beroepen op de loonkostentheorie. Als de vennootschap in haar bezoldigingsbeleid aan die personen een bijkomend loon in natura wil toekennen en daaruit voor de betrokkenen een belastbaar voordeel voortvloeit, is er in principe geen reden om de aftrek van de huisvestingskosten in hoofde van de vennootschap te weigeren. Luc Maes is voorzitter van de Fiscale Hogeschool en hoofdredacteur van Fiscoloog. LUC MAESUitgaven van een werkgever die resulteren in een belastbaar loon van de werknemer, zijn fiscaal aftrekbare loonkosten.