De roep om meer en strakkere reglementering van de financiële markten weerklinkt oorverdovend in binnen- en buitenland. Op het eerste gezicht lijkt dat verlangen nogal vanzelfsprekend gegeven de ravage door de excessen en scheefgroeiingen op en rond de financiële markten. Nadere analyse doet echter vele vragen rijzen over deze reglementeringsdrift.
...

De roep om meer en strakkere reglementering van de financiële markten weerklinkt oorverdovend in binnen- en buitenland. Op het eerste gezicht lijkt dat verlangen nogal vanzelfsprekend gegeven de ravage door de excessen en scheefgroeiingen op en rond de financiële markten. Nadere analyse doet echter vele vragen rijzen over deze reglementeringsdrift. Een eerste bedenking is dat we dezer dagen al te makkelijk de neiging vertonen om alles wat met financiële innovatie te maken heeft op de vuilhoop van de kwaadaardige overbodigheden te dumpen. Ondanks de ernst van de crisis is zo'n houding fundamenteel fout. Financiële innovatie vormt een wezenlijk onderdeel van de vooruitgangsmachine. Hoe beter een maatschappij erin slaagt om liggende financiële overschotten om te zetten in productieve investeringen, hoe groter de welvaart. Om deze zogenaamde financiële intermediatie voortdurend te verbeteren, is er continu behoefte aan financiële innovatie. Neem de techniek van de effectisering. Zwaar in diskrediet gebracht door de gebeurtenissen van de voorbije twee jaar, biedt deze techniek nog altijd veel mogelijkheden. Erg wensbare gegevens als betere risicospreiding, verhoogde liquiditeit en ruimere financieringsmogelijkheden, staan nu in de schaduw van de misbruiken die te welig tierden. Er is dus, zou men kunnen concluderen, inderdaad behoefte aan meer en strakkere reglementering. Daarbij dringen zich minstens drie bedenkingen op. Dat er tot nog toe geen of nauwelijks reglementering van de financiële markten bestond, is een absoluut waanidee. Weinige markten dienen zoveel regeltjes en voorschriften in acht te nemen als de financiële. Ten tweede, de financiële crisis bewijst overvloedig dat die reglementeringen vaak zeer negatieve neveneffecten in het leven roepen. De fameuze Basel-akkoorden voor de kapitaalvereisten voor banken leveren enkele sprekende voorbeelden op. Basel I bepaalde dat banken over een kapitaal (eigen vermogen) dienen te beschikken gelijk aan 8 procent van het uitstaande kredietvolume. Op deze algemene regel bestonden diverse uitzonderingen en nuanceringen. Zo dienden banken niet of nauwelijks kapitaal opzij te zetten voor zogenaamde reputational kredietlijnen, zijnde kredietlijnen voor eigen investeringsfondsen of dochterinstellingen om de reputatie en de kredietwaardigheid van deze entiteiten te verhogen. Meteen ontstonden massaal buitenbalansvehikels waardoor de schuldgraad in de financiële sector door het dak schoot. Bovendien werken de Basel-regels ook erg pervers. De 8 procentregel houdt immers in dat banken in een recessie restrictiever worden in hun kredietverlening en in een expansiefase nog meer kredieten trachten te slijten (en zodoende de vorming van zeepbellen stimuleren). De Basel-reglementering versterkt dus de scherpe kanten van de conjuncturele golfbeweging. Een derde bedenking is de vaststelling dat ze in belangrijke mate mee de oorzaak van de financiële crisis vormt. Misschien het schoolvoorbeeld is het reglementenkader opgelegd aan Fannie Mae en Freddie Mac, de twee sleutelinstellingen in het financieringsmechanisme van Amerikaanse hypothecaire leningen. Fannie en Freddie waren tot voor de financiële crisis door de overheid gesponsorde instellingen die impliciet van de staatswaarborg genoten. Tijdens de crisis kregen we al snel een omzetting van die impliciete staatswaarborg naar een expliciete. Toen Bill Clinton in 1994 zijn National Homeownership Strategy lanceerde, kwamen er nieuwe richtlijnen voor het financieringsgedrag van Fannie en Freddie. Kort gezegd kwamen die erop neer dat de instellingen als het ware verplicht werden om hypothecaire leningen op te nemen toegekend aan mensen die er eigenlijk helemaal niet voor in aanmerking kwamen. Op instigatie van de Amerikaanse politieke leiders ontpopten Fannie en Freddie zich dus tot de grote aandrijvers van de markt van rommelhypotheken. Onderzoek wijst uit dat minstens de helft van de toxische hypothecaire leningen er zonder de interventies van Fannie en Freddie niet gekomen zou zijn. Daar kwam dan nog een smeuïg corruptiesausje overheen. Laat ons dus vooral heel voorzichtig en heel genuanceerd te werk gaan met nieuwe reglementering. Ze dient er zeker te komen, maar ze zou wel veel beter doordacht en meer ontdaan van kortzichtige politieke motieven moeten zijn. DE AUTEUR IS ALGEMEEN DIRECTEUR VAN HET ONDERNEMERSPLATFORM VKW.Johan Van OvertveldtDat er tot nog toe geen of nauwelijks reglementering van de financiële markten bestond, is een absoluut waanidee.