Het ontwerp van programmawet dat het parlement op dit ogenblik behandelt, bevat op fiscaal gebied onder meer een maatregel ter bevordering van de tewerkstelling van werknemers met een laag loon in een kmo. De maatregel is niet nieuw. Hij werd al ingevoerd in 1998. Maar toen was hij slechts tijdelijk. Oorspronkelijk zou hij enkel voor drie jaar van toepassing zijn. De regeling werd nadien verscheidene keren verlengd. Normaal moest zij vorig jaar aflopen. Maar de regering maakt er nu een permanente maatregel van. Kmo's die bijkomend personeel met een laag loon aanwerven, hebben dus ook in de toekomst recht op een fiscale incentive. Als ze aan alle voorwaarden voldoen.
...

Het ontwerp van programmawet dat het parlement op dit ogenblik behandelt, bevat op fiscaal gebied onder meer een maatregel ter bevordering van de tewerkstelling van werknemers met een laag loon in een kmo. De maatregel is niet nieuw. Hij werd al ingevoerd in 1998. Maar toen was hij slechts tijdelijk. Oorspronkelijk zou hij enkel voor drie jaar van toepassing zijn. De regeling werd nadien verscheidene keren verlengd. Normaal moest zij vorig jaar aflopen. Maar de regering maakt er nu een permanente maatregel van. Kmo's die bijkomend personeel met een laag loon aanwerven, hebben dus ook in de toekomst recht op een fiscale incentive. Als ze aan alle voorwaarden voldoen. Een van die voorwaarden luidt dat men een kmo moet zijn. Ten aanzien van beoefenaars van vrije beroepen (dokters, advocaten, enzovoort) worden op dit gebied geen specifieke voorwaarden gesteld. Zij worden altijd geacht een kmo te zijn. Bij handelaars, nijveraars en landbouwers en bij vennootschappen is dat anders. Zij worden slechts geacht een kmo te zijn als voordien minder dan elf werknemers bij hen werkten. De beoordeling gebeurt, zoals in de oude regeling, in beginsel op 31 december 1997. Een onderneming die vandaag in aanmerking wil komen voor de fiscale incentive, mocht dus meer dan tien jaar geleden niet meer dan elf werknemers tellen. Dat er vijf jaar geleden vijftig of vijfhonderd werkten, speelt geen rol. Het is en blijft een kmo als zij op 31 december 1997 ten hoogste tien werknemers in dienst had. Meteen is hiermee een van de zwakke punten van de nieuwe regeling blootgelegd. De regering maakt de regeling permanent, maar vergeet ze te actualiseren. Het resultaat is een regeling die kraakt in haar voegen. Want wat is vandaag nog de relevantie van een regeling die teruggaat naar de toestand van meer dan tien jaar geleden om uit te maken of een onderneming wel of geen kmo is en dus recht heeft op het fiscale voordeel? Het gebruikte criterium kan waarschijnlijk ook maar moeilijk de toets met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel doorstaan. Een onderneming die indertijd maar vijf personeelsleden telde en vandaag vijfhonderd, komt wel in aanmerking. Terwijl een onderneming die er eind 1997 weliswaar meer dan tien had, maar de voorbije tien jaar altijd minder dan elf personeelsleden telde, geen kmo is en dus niet in aanmerking komt. Dat ruikt naar discriminatie en naar onzin. De regeling is nog op andere punten aan opfrissing toe. Toen de wetgever de regeling oorspronkelijk ontwierp, heeft hij willen vermijden dat binnen vennootschapsgroepen met personeelsleden zou worden geschoven om het fiscale voordeel te optimaliseren. Het fiscale voordeel werd daarom uitgesloten ingeval men bijvoorbeeld personeelsleden overnam van een verbonden onderneming. De wetgever voorzag in dit verband uitdrukkelijk in een datum. Het overgenomen personeelslid mocht nog niet vóór 1 januari 1998 bij de gelieerde onderneming werken. Indertijd had de datum van 1 januari 1998 zin. De regeling ging op die datum van start. Dezelfde datum bleef nadien ongewijzigd in de wet staan. En ook nu neemt de overheid hem klakkeloos over. Zonder te beseffen dat hij vandaag geen zin meer heeft en in feite tot absurde situaties leidt. Een personeelslid dat overgenomen wordt van een gelieerde onderneming waar het al vóór 1 januari 1998 aan de slag was, telt niet mee als bijkomend personeel. Was het daar pas vanaf 1 januari 1998 aan de slag, dan telt het - volgens de letter van de wet - blijkbaar wel mee. Dat het personeelslid van een gelieerde onderneming komt, speelt dan ogenschijnlijk geen rol meer. Terwijl het precies de bedoeling was dergelijke personeelsleden uit te sluiten. Ook op alle andere punten is de nieuwe regeling een trouwe kopie van de oude. De personeelsaangroei wordt gemeten door een vergelijking te maken van het gemiddelde personeelsbestand van het betrokken jaar met dat van het vorige kalenderjaar. Voor aanslagjaar 2009 vergelijkt men het gemiddelde personeelsbestand van 2008 met dat van 2007. Per bijkomende personeelseenheid heeft men recht op een vrijstelling van (geïndexeerd) 4930 euro. Tenminste als de bijkomende personeelsleden een 'laag' loon hebben. Het dag- of uurloon mag niet hoger zijn dan 90,32 of 11,88 euro. Eigenaardig genoeg worden deze bedragen niet geïndexeerd. Zij zijn sinds begin 2005 ook niet meer aangepast. Door de loonindexeringen komen dus hoe langer hoe minder personeelsleden in aanmerking. Zo holt de maatregel zichzelf uit. Aan de koning wordt wel de bevoegdheid gegeven om deze bedragen te verhogen tot respectievelijk maximaal 100 of 13 euro. Zoals in de oude regeling gaat de vrijstelling ook in de nieuwe regeling verloren als de bijkomende tewerkstelling niet minstens tot op het einde van het volgende kalenderjaar behouden blijft. De vrijstelling is dus pas definitief verworven na afloop van het tweede jaar. (T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van Dyck