De auteur is hoofddocent aan de Universiteit Gent en partner van de Vlerick Leuven Gent Management School.
...

De auteur is hoofddocent aan de Universiteit Gent en partner van de Vlerick Leuven Gent Management School. reacties: marc.buelens@trends.beU hebt er niet naast kunnen kijken. De Vlerick Leuven Gent Management School bestaat vijftig jaar. En de Gentse campus huist in een prachtig nieuw gebouw. Met bar. Gesponsord door een van mijn vorige werkgevers uit het Leuvense. Als u niet komt voor de academische managementwetenschap, kom dan even naar de bar. En vergeet toch niet even de bibliotheek binnen te springen. Toen André Vlerick 'zijn' school oprichtte, waren er enkele business schools in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Boeiende, dynamische instellingen met een ongewoon studentenpubliek: managers. Deze (dames en vooral) heren stelden bizarre eisen aan professoren. Zo bleek er een grote behoefte aan attitudeverandering, aan vaardigheidstraining en aan inslijpen van kennis. Business schools werden meesters in sociale vaardigheidstraining, business games, projectopdrachten. Je kon arts worden zonder een uur opleiding in sociale vaardigheden, maar managers wisten wel beter. Binnen de betere universitaire kringen werden die activiteiten met enige minachting bekeken. Marketing, prostitutie van de economische wetenschap zei ooit een Vlaams hoogleraar economie. En net toen Vlerick zijn praktijkgeoriënteerde zakenschool oprichtte, begon aan de andere kant van de oceaan de speurtocht naar academische geloofwaardigheid. Professoren aan business schools moesten ook publiceren in moeilijk toegankelijke tijdschriften, liefst met enkele complex ogende formules. Het werd snel duidelijk dat management science een sterk kwantitatief accent moest krijgen. Kwestie van wat academisch respect af te dwingen. Vanaf dan kregen managers ook lineaire programmering voorgeschoteld, een lachertje voor ingenieurs, een nachtmerrie voor juristen. En uiteraard: net toen die publish or perish-golf naar België was overgewaaid, begonnen de Amerikaanse business schools zich ernstige vragen te stellen over hun maatschappelijke relevantie. Wat doen business schools nu zowat iedereen manager is geworden, al was het zelfmanagement? (antwoord: ze blijven een elite trainen). Welke rol hadden zij gespeeld bij de kwaliteitsbeweging (antwoord: heel weinig, de goeroes waren weggelopen naar Japan, waar ze wel naar hen luisterden), bij de milieuproblematiek (antwoord: niets, en toen was het te laat, hun rol was overgenomen door Greenpeace), bij de aanklachten tegen misbruiken (antwoord: veel en veel te weinig, dat werd overgenomen door de NGO's, en door 'No Logo'). En net toen business schools zich aan het bezinnen waren over hun kritische rol binnen de maatschappij, werd duidelijk dat ze zelf boter op hun hoofd hadden in verband met de 'nieuwe economie' en de grote bedrijfsschandalen. Er verschenen zeer kritische rapporten over sommige business schools (en vooral natuurlijk over de marktleiders, type Harvard Business School). De studenten zouden er binnenkomen als mensen met een geweten, met veel zin voor solidariteit, en een tweetal jaar later aan de maatschappij worden terugbezorgd als egocentrische, hebzuchtige carrièrejagers. Business schools zouden ook veel te weinig kritisch zijn geweest in verband met allerlei uitwassen, die nochtans in de zakenpers breed werden uitgesmeerd. Sindsdien missen business schools uiteraard geen enkel treintje meer, of het nu gaat om duurzaam ondernemen of ethisch zakendoen. Maar de bedrijfsrealiteit maalt steeds sneller en sneller. En de academische molen maalt nu eenmaal traag. Daarom dat journalisten keer op keer managementprofessoren in snelheid nemen. Want journalisten zijn wél getraind om snel uit slechts enkele bronnen nieuwe trends te ontdekken. Academische instellingen, ook al huizen ze apart in een managementschool, zijn bijna per definitie trager. Het gevaar van dicht-op-de-bal onderzoek en dito onderwijs is immers dat business schools elke (paniek)reactie van het bedrijfsleven gaan volgen. Als je de 'markt' volgt, dan zouden de geleerde professoren nu bezig moeten zijn met drie dingen: innovatie en entrepreneurship, besparingen, en jobs in India en China. Op het eerste thema scoren business schools goed, maar waar zijn de colleges en publicaties over 'besparingsmanagement'? Waar zijn de colleges over Indiase cultuur? Als business schools koekjesfabrieken zouden zijn, zouden ze zulke kansen niet mogen laten liggen. De klant vraagt kiwikoekjes. Wel, dan maken we kiwikoekjes. Maar managementscholen zijn geen koekjesfabrieken. Ze hangen zowat halverwege tussen de academische en de bedrijfswereld. Dat geeft voortdurend spanningen. Waar moeten we excelleren? In de tijdschriften of in het klaslokaal? Moet iedereen in beide goed zijn? Moeten we de markt volgen zoals we dat in onze lessen zelf prediken? Kunnen we kritisch blijven als we eindeloos gesponsord worden door het bedrijfsleven? Hoe kan de titularis van de Waspoeder-leerstoel 'Kritisch Ondernemen' in godsnaam echt kritisch zijn tegenover waspoeders? Hoe commercieel mogen of moeten we zijn? Kunnen we aan commerciële consulting doen? Deze vragen lijken zo inherent aan business-scholen dat ze waarschijnlijk over vijftig jaar nog zullen worden gesteld. Marc Buelens