Rechtsvacuüm was te vermijden

Sedert 1 maart worden geen directoriale beslissingen meer verstuurd. Men wacht op de inwerkingtreding van de nieuwe fiscale procedure.

De lang aangekondigde hervorming van de fiscale procedure is eerstdaags een feit. De teksten zijn definitief door de Kamer goedgekeurd, behoeven nog slechts op enkele punten het fiat van de Senaat, en zullen – als alles volgens plan verloopt – rond deze tijd languit in het Belgisch Staatsblad te lezen staan. Daarmee wordt een punt gezet achter een ontstaansgeschiedenis die jarenlang heeft aangesleept, en waarbij de voorgestelde maatregelen tot op de valreep zijn bijgestuurd en aangepast.

AANTAL.

Neem bijvoorbeeld het aantal fiscale rechtbanken van eerste aanleg. In de nieuwe regeling verliest de bezwaarprocedure haar jurisdictioneel karakter. Dit wil zeggen dat de directeur die een beslissing neemt over een bezwaarschrift inzake directe belastingen, geen uitspraak meer doet “in eerste aanleg”. Zijn beslissing heeft een zuiver administratief karakter.

Wie zich in rechte wil verzetten tegen een directoriale beslissing, zal bijgevolg niet moeten aankloppen bij het hof van beroep (zoals in de bestaande procedure het geval is) maar wel bij de rechtbank van eerste aanleg. Pas nadat deze “eerste aanleg” voorbij is, kan men naar het hof van beroep.

GESPECIALISEERD.

Om ervoor te zorgen dat men in “eerste aanleg” terecht kan bij rechters die kaas hebben gegeten van de ingewikkelde fiscaliteit, is beslist dat men met fiscale geschillen niet bij gelijk welke rechtbank van eerste aanleg zal kunnen aankloppen. Maar dat daarentegen slechts een beperkt aantal “fiscale” rechtbanken van eerste aanleg zal worden geïnstalleerd, die (naar men hoopt) bemand zullen worden door fiscaal onderlegde rechters; en die exclusief kennis zullen nemen van alle fiscale betwistingen. Zowel op het gebied van de inkomstenbelastingen, als op het gebied van de BTW, de registratie- en successierechten, de verkeersbelasting enzovoort.

Hoeveel fiscale rechtbanken van eerste aanleg komen er? Uit de tekst die aanvankelijk door de Kamer werd goedgekeurd, bleek dat het er vijf zouden zijn. Evenveel als er hoven van beroep zijn. En, dat zij geïnstalleerd worden, daar waar het hof van beroep zetelt. Dus telkens één in Antwerpen, Bergen, Brussel, Gent, en Luik.

De senatoren hebben op hun beurt kennis genomen van deze regeling, zagen dat het voor hun part goed was, en hebben de teksten (op dit punt) ongewijzigd teruggezonden naar de Kamer.

VERZET.

Maar te velde was inmiddels verzet gerezen. Wie in of in de omgeving van Antwerpen, Bergen, Brussel, Gent of Luik woont, zal er uiteraard geen bezwaar tegen hebben dat de fiscale rechtbanken van eerste aanleg in de genoemde steden worden geïnstalleerd.

Neem daarentegen bijvoorbeeld iemand die in het West-Vlaamse Nieuwpoort woont. In de bestaande procedure kan hij met zijn bezwaarschrift – en dus met de behandeling van zijn geschil “in eerste aanleg” – terecht bij de plaatselijke directeur van directe belastingen. Pas in “hoger beroep” moet hij de baan op. Honderd kilometer verder, naar het hof van beroep in Gent. Ook inzake BTW bijvoorbeeld hoeft hij zich nauwelijks te verplaatsen. In de bestaande procedure is de behandeling van BTW-geschillen, ook in “eerste aanleg” al toevertrouwd aan de gewone rechtbanken. Maar men hoeft daar niet ver voor te gaan. Het is de plaatselijke rechtbank van eerste aanleg (en bij kleine geschillen de plaatselijke vrederechter) die kennis neemt van de betwisting.

In de nieuwe procedure wordt dit allemaal anders. De vijf gespecialiseerde rechtbanken van eerste aanleg zullen exclusief kennis nemen van alle fiscale betwistingen “in eerste aanleg”. Zowel op het gebied van de inkomstenbelastingen als op het gebied van de BTW enzovoort. Iemand die in Veurne woont, moet dus ook al “in eerste aanleg” naar Gent; een inwoner van Hasselt naar Antwerpen; en een inwoner van Aarlen naar Luik.

ACTIE.

Het protest dat daartegen groeide – allicht niet gespeend van licht chauvinistische trekjes – was voldoende groot om enkele kamerleden alsnog tot de actie te bewegen. En dus werd op de valreep een amendement goedgekeurd waarbij aan de Koning de bevoegdheid wordt verleend om meer dan vijf rechtbanken van eerste aanleg bevoegd te verklaren om kennis te nemen van fiscale geschillen. Naar verluidt is het de bedoeling dat op deze manier minstens in elke provinciehoofdstad een rechtbank van eerste aanleg bevoegd wordt verklaard. De West-Vlamingen kunnen aldus naar Brugge, en de Limburgers naar Hasselt.

Dit amendement had overigens tot gevolg dat het betrokken wetsontwerp voor een tweede keer naar de Senaat moest worden overgezonden, waardoor de verwarring rond de inwerkingtreding van de nieuwe procedure nog is vergroot. Want alsof de duivel ermee gemoeid is, is niet alleen het ontstaan van de nieuwe procedure een ware calvarietocht geworden, maar dreigt nu ook de start compleet de mist in te gaan.

RETROACTIEF.

De oorzaak daarvan heeft de wetgever volledig aan zichzelf te wijten. Hij heeft immers een tekst goedgekeurd waarin de bestaande regels inzake het hoger beroep tegen een directoriale beslissing, met ingang van 1 maart 1999 – dus met terugwerkende kracht – zullen worden afgeschaft. Terwijl de nieuwe regeling (waarbij de gespecialiseerde rechtbanken van eerste aanleg bevoegd zullen zijn om “in eerste aanleg” kennis te nemen van fiscale geschillen) pas in werking zal treden, tien dagen na de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad. Op dit ogenblik heerst bijgevolg een juridisch vacuüm dat zowel de belastingplichtigen als de administratie parten speelt.

In de nieuwe regeling zal de beslissing van de directeur over een bezwaarschrift, nog louter een administratief karakter hebben. Ingevolge recente rechtspraak van het Arbitragehof concluderen sommigen dat dit ook nu al het geval is. Het “administratief karakter” impliceert dat de directeur zich in ieder geval moet houden aan de wetgeving inzake de “openbaarheid van bestuur”. Die schrijft voor dat een individuele administratieve beslissing de eventuele “beroepsmogelijkheden” moet vermelden, “de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen”.

WERKLOOS.

Het gevolg daarvan is dat de gewestelijke directeuren sinds 1 maart technisch werkloos zijn. Als zij vandaag een beslissing verzenden, moeten zij daarop immers vermelden bij wie de belastingplichtige beroep kan aantekenen. Zolang de nieuwe procedure niet in werking is getreden, kunnen zij enkel vermelden dat het hof van beroep de bevoegde beroepsinstantie is. Maar dat zal straks, na publicatie van de nieuwe procedurewetgeving met terugwerkende kracht ongedaan worden gemaakt. In die wetgeving zal immers te lezen staan dat de verzoekschriften tegen een directoriale beslissing met ingang van 1 maart 1999 niet meer kunnen worden ingediend bij de hoven van beroep. Het gevolg daarvan is dat de directoriale beslissing eveneens met terugwerkende kracht een onjuiste vermelding bevat.

Om die kafkaiaanse toestanden te vermijden, is beslist dat de gewestelijke directeuren met ingang van 1 maart 1999 geen beslissingen meer mogen verzenden. Zij mogen nog wel beslissingen nemen. Maar moeten met de verzending wachten totdat de nieuwe procedure in het Belgisch Staatsblad te lezen heeft gestaan, en zij bijgevolg met zekerheid de juiste beroepsprocedure op hun beslissing kunnen vermelden.

HINDER.

Ook voor de belastingplichtigen zorgt de retroactieve inwerkingtreding voor hinder. Wie bijvoorbeeld op 2 maart 1999 bij het hof van beroep hoger beroep heeft aangetekend tegen een beslissing van de gewestelijke directeur (die nog dateert van vóór 1 maart 1999) wist op voorhand dat hij bij de verkeerde beroepsinstantie zat. Deze procedure zal immers met terugwerkende kracht worden afgeschaft. Maar op dat ogenblik kon de belastingplichtige niets anders. En was hij misschien zelfs verplicht om dat te doen. In de “oude” procedure heeft men immers slechts veertig dagen tijd om beroep aan te tekenen tegen een directoriale beslissing. Als die beroepstermijn bijvoorbeeld op 2 maart verstreek, kon de belastingplichtige niet anders dan aankloppen bij het hof van beroep.

DRIE.

In de nieuwe procedure zal hij drie maanden tijd hebben. Dat zal ook gelden voor het verzet tegen een directoriale beslissing die nog vóór 1 maart 1999 naar de belastingplichtige is gezonden; althans voorzover de oude veertigdagentermijn op dezelfde datum nog niet was verstreken. Wie uit noodzaak, of veiligheidshalve na 1 maart 1999 nog beroep tegen een directoriale beslissing heeft aangetekend bij het hof van beroep, zal bijgevolg verplicht zijn om – na inwerkingtreding van de nieuwe procedure – zijn zaak “in eerste aanleg” opnieuw in te leiden, nu voor de bevoegde rechtbank van eerste aanleg.

Dit had allemaal vermeden kunnen worden. Wie aandachtig toekeek, wist op voorhand dat 1 maart 1999 geen haalbare kaart was. De Kamer heeft het betrokken wetsontwerp trouwens pas ná 1 maart 1999 definitief goedgekeurd.

Jan Van Dyck is fiscalist.

Jan Van Dyck

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content