De jongste recessie bracht de arbeidsmarkt minder zware klappen toe dan eerdere crisissen. In 2009 gingen netto 67.000 banen verloren. Dat is een stuk minder dan de recessie van 1980-1981 toen 178.000 jobs verloren gingen. De tewerkstelling daalde toen gedurende maar liefst 17 kwartalen (zie grafiek Evolutie van de werkgelegenheid tijdens de voorbije recessies). Bovendien waren er in 1980 in België 3,7 miljoen werkenden, terwijl er dat vorig jaar 4,4 miljoen waren. Volgens de Nationale Bank van België zijn die twee periodes echter niet zomaar te vergelijken. Begin jaren tachtig kende de staalindustrie massale afvloeiingen. De sectoren die nu met structurele problemen kampen (zoals de ...

De jongste recessie bracht de arbeidsmarkt minder zware klappen toe dan eerdere crisissen. In 2009 gingen netto 67.000 banen verloren. Dat is een stuk minder dan de recessie van 1980-1981 toen 178.000 jobs verloren gingen. De tewerkstelling daalde toen gedurende maar liefst 17 kwartalen (zie grafiek Evolutie van de werkgelegenheid tijdens de voorbije recessies). Bovendien waren er in 1980 in België 3,7 miljoen werkenden, terwijl er dat vorig jaar 4,4 miljoen waren. Volgens de Nationale Bank van België zijn die twee periodes echter niet zomaar te vergelijken. Begin jaren tachtig kende de staalindustrie massale afvloeiingen. De sectoren die nu met structurele problemen kampen (zoals de automobielassemblage met haar overcapaciteit) hebben de voorbije jaren al herstructureringen doorgevoerd. Dat was het geval bij Renault Vilvoorde (1997), bij Ford Genk (2003) en bij Volkswagen Vorst (2006). Het banenverlies van de jongste recessie lijkt eerder op dat van 1992-1993 toen er 55.000 banen verloren gingen. Die twee periodes vergelijken is volgens economen relevanter, al zijn er natuurlijk verschillen. De Waalse econoom Philippe Defeyt (en ex-topman van Ecolo) wijst erop dat het bruto binnenlands product vorig jaar kromp met 3,1 procent. Tijdens de recessie van 1992-1993 kende België een negatieve groei van 1 procent. Toch lag het banenverlies toen maar 12.000 eenheden lager dan tijdens de zware recessie die we nu achter de rug hebben. Volgens Defeyt zijn daar verschillende redenen voor. De belangrijkste reden waarom de impact op de werkgelegenheid relatief beperkt bleef, ligt voor de hand: het stelsel van tijdelijke werkloosheid verhinderde dat bedrijven werknemers massaal lieten afvloeien. In maart 2009 waren maar liefst 313.000 Belgen tijdelijk werkloos of 30 procent van alle arbeiders die aan de slag waren. Bovendien werd het stelsel uitgebreid tot bedienden. Ook voerden bedrijven verschillende arbeidsduurverminderingen door. In 2009 lag het aantal gewerkte uren 1,8 procent lager dan het jaar voordien. In 1993 was dat 1,2 procent. Defeyt denkt ook dat het stijgende aantal werknemers dat dankzij dienstencheques aan de slag is (al meer dan 100.000) een remmend effect gehad heeft op de werkloosheidscijfers. Een ander aspect dat volgens Defeyt vaak uit het oog verloren wordt, is dat de actieve bevolking - de Belgen die zich dus op de arbeidsmarkt aanbieden - in de periode van 2008 tot 2010 amper is toegenomen. "Die evolutie is deels te verklaren door het toenemende aantal Belgen dat kiest voor de zogenaamde thematische verloven zoals ouderschapsverlof of mensen die thuisblijven om een zieke te verzorgen. Dat zijn er op een jaar tijd 8000 meer", legt Defeyt uit. "Zij behoren niet tot de Belgen die beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Dat geldt ook voor het aantal voltijds bruggepensioneerden die zich niet meer als werkzoekende moeten inschrijven. Hun aantal steeg in 2009 met 1400." Volgens de Waalse econoom wordt ook een ander element vaak over het hoofd gezien: jongeren studeren langer omdat ze weten dat hun kansen op de arbeidsmarkt door de recessie een stuk lager liggen. Ofwel volgen ze nog een extra opleiding nadat ze hun diploma hebben gehaald. Ofwel kiezen jongeren voor hoger onderwijs terwijl ze anders direct aan de slag zouden zijn gegaan na hun middelbare studies. Tussen 2008 en 2010 telde het hoger onderwijs in België 25.000 studenten extra. Het gaat hier om een groep van jongeren tussen 18 en 24 jaar die zich niet op de arbeidsmarkt begeven en dus niet in rekening genomen worden voor de berekening van de werkloosheidscijfers. A.M.