Op 27 november signaleerde Trends de publicatie van een rapport - 'Mines du Katanga: contamination radioactive organisée par l'Etat. Cas de la mine de Shinkolobwe' - van de Congolese mensenrechtenorganisatie Asadho. De authenticiteit ervan wordt nu in twijfel getrokken. Het rapport werd eind november in elektronische en gedrukte versie in Katanga en buiten Congo verspreid.
...

Op 27 november signaleerde Trends de publicatie van een rapport - 'Mines du Katanga: contamination radioactive organisée par l'Etat. Cas de la mine de Shinkolobwe' - van de Congolese mensenrechtenorganisatie Asadho. De authenticiteit ervan wordt nu in twijfel getrokken. Het rapport werd eind november in elektronische en gedrukte versie in Katanga en buiten Congo verspreid. Marina Narnor is Congo-verantwoordelijke van de Westminster Foundation, een afdeling van het Britse ministerie voor Buitenlandse Zaken. Narnor bevestigt dat deze stichting Asadho financieel steunt. Maar in een persmededeling van 5 december keert de Katangese afdeling van Asadho zich tegen het rapport over Shinkolobwe. Als verantwoordelijke uitgever wordt Amigo Ngonde vermeld, de directeur van het hoofdkantoor van Asadho in Kinshasa. Het hoofdkantoor liet 1500 exemplaren drukken in Kinshasa en Asadho Katanga drukte duizend exemplaren in Lubumbashi, maar die blijven achter slot en grendel omdat Asadho Katanga zich verzet tegen de verspreiding en een gewijzigde versie aankondigt. Waarom? Tijdens het Mobutu-regime was de uraniumhoudende mijn van Shinkolobwe (waar de grondstof vandaan kwam voor de bom van Hiroshima) hermetisch afgegrendeld. Tot de toenmalige premier, Kengo-wa-Dondo, begin 1997 kobalthydraten en sulfieten liet opgraven bij de mijn om een tegenoffensief te financieren tegen Laurent-Désiré Kabila (daarover is een rechtszaak hangende tussen een Belgisch en een Italiaans transportbedrijf bij de arbitragekamer voor handel en nijverheid van Antwerpen). Na de regimewissel gingen duizenden jongeren zonder enige bescherming naar kobalthoudende heterogeniet graven in en rond de mijn van Shinkolobwe. Deze toestand ("georganiseerde slavernij" en "radioactieve straling") wordt in het rapport aangeklaagd. Asadho noemt bedrijven zoals EGMF, Entreprise Groupe Malta Forrest (sic). Sinds februari werd hierover briefwisseling gevoerd tussen het Département de l'Hygiène et de la Sécurité du Travail ( HST) en de directie van het staatsmijnbedrijf Gécamines. Begin dit jaar werd SNC Lavallin door Gécamines belast met een onderzoek naar aanwezigheid van het gevaarlijke uraniumisotoop 235 in en rond Shinkolobwe. Geen enkel plaatselijk laboratorium in Katanga is uitgerust om het isotoop 235 (of 238, dat ongevaarlijk is) in de ertsen op te sporen. Ook Amerikaanse militairen werden bij de mijn gesignaleerd en in maart 2003 deed staatssecretaris Eddy Boutmans (onder Verhofstadt I) de Congolese autoriteiten het voorstel om de besmetting te laten opmeten door het Studiecentrum voor Kernenergie ( SCK) en door de Niras, de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen. Deze demarches bewijzen dat er reden tot ongerustheid moet zijn, maar onderzoeksresultaten zijn er niet. Waarom? Wil men dit potje gedekt houden? En kan dit de tweespalt verklaren binnen Asadho tussen voor- en tegenstanders van het Shinkolobwe-rapport? Asadho heeft sinds zijn oprichting in 1991 een reeks kritische rapporten gepubliceerd, onlangs in september 2003 over moordpartijen in Noord-Katanga. De mensenrechtenorganisatie heeft ten gevolge van zulke publicaties een verleden van intimidaties, recuperatiepogingen, represailles en gevangenisneming van leden door de opeenvolgende Congolese autoriteiten (Mobutu, Kabila senior en Kabila junior). Dat resulteert vaker in onenigheid tussen de hoofdafdeling in Kinshasa en de provincies, maar ook in afsplitsingen of een herschikking van de leiding binnen de verschillende afdelingen. In een land als Congo is democratie een harde leerschool.E.B. E.B.