De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. www.fiscoloog.be Dat bij het berekenen van het voordeel van alle aard uit bedrijfswagens rekening moet worden gehouden met de werkelijk betaalde btw, blijft problemen veroorzaken. Sinds begin vorig jaar is de berekening van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het ter beschikking stellen van bedrijfswagens voor privégebruik, op een volledig nieuwe leest geschoeid. Het belastbaar voordeel wordt sindsdien berekend door een bepaald CO2-percentage toe te passen op de cataloguswaarde van het voertuig. De juiste omschrijving van deze cataloguswaarde heeft veel voeten in de aarde gehad. Vandaag verstaat men eronder, de "catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde btw, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno". Deze cataloguswaarde mag vervolgens nog in zekere mate verminderd worden om rekening te houden met de anciënniteit van het voertuig. De cataloguswaarde omvat, zoals gezegd, ook de btw. Aanvankelijk was het de bedoeling dat rekening zou worden gehouden met een soort fictieve btw. Met name, de btw die men verschuldigd zou zijn als men geen rekening zou houden met de toegestane kortingen. Maar uiteindelijk heeft de wetgever ervoor geopteerd enkel de werkelijk betaalde btw in aanmerking te nemen. Dat lijkt op het eerste gezicht gerechtvaardigd. Maar bij nader inzien is het dat veel minder. Voordelen van alle aard gelden krachtens de wet voor hun werkelijke waarde bij de verkrijger. In principe heeft het dus geen belang hoeveel het voordeel kost aan de verstrekker ervan. En dus evenmin hoeveel btw hij wel of niet heeft betaald. Niettemin heeft de wetgever beslist bij bedrijfswagens wel rekening te houden met de werkelijk betaalde btw. Dat heeft als merkwaardig gevolg, dat hoe meer btw de verstrekker van het voordeel heeft moeten betalen hoe hoger de cataloguswaarde van het voertuig is, en dus ook hoe meer belasting de genieter van het voordeel verschuldigd zal zijn. Deze anomalie is al dikwijls aangekaart. Maar nog niet zo lang geleden heeft de vorige minister van Financiën laten weten dat hij zeker op korte termijn niet denkt aan een aanpassing van de berekeningswijze van het belastbaar voordeel dat uit bedrijfswagens voortvloeit. Dat men enkel rekening moet houden met de werkelijk betaalde btw heeft niet enkel tot gevolg dat het belastbaar voordeel bij de genieter schommelt al naargelang de werkgever of vennootschap bij de aanschaf van een bedrijfswagen meer of minder btw heeft moeten betalen. Het heeft ook tot gevolg dat soms in het geheel geen rekening moet worden gehouden met de btw, ook als die er in werkelijkheid wel is. Dit is het geval als een garagehouder een voertuig aankoopt bij een particulier, en hij dat voertuig vervolgens onder toepassing van de zogenaamde margeregeling verkoopt. Hij moet dan slechts btw aanrekenen op zijn winstmarge. Die btw krijgt de klant niet te zien. Zij wordt niet op de factuur vermeld. Dat is logisch. Anders zou iedereen onmiddellijk weten hoe hoog de winstmarge van de garagehouder is. Een klant die zo'n voertuig als bedrijfswagen ter beschikking stelt, moet bij het berekenen van het voordeel van alle aard geen rekening houden met de betaalde btw. Die is er wel. Maar niemand -- behoudens de garagehouder zelf -- weet hoe hoog die is. Een vergelijkbaar probleem doet zich voor als een werkgever of vennootschap een bedrijfswagen in leasing neemt. Voor dit geval is in geen uitzondering voorzien. Bij de berekening van het voordeel van alle aard moet hoe dan ook rekening gehouden worden met de btw die de leasinggever bij de aankoop van het voertuig heeft betaald. Maar de leasingnemer kent die btw niet. Volgens de vorige minister van Financiën moet hij dat gewoon aan de leasinggever vragen. Maar daarmee dwingt men de leasinggever onrechtstreeks wel tot het prijsgeven van zijn winstmarge, en tot het onthullen van zijn keuken- en fabrieksgeheimen. Daar zag de vorige minister verrassend genoeg geen graten in. Misschien is dat bij de nieuwe minister wel het geval. JAN VAN DYCK Leasinggevers moeten wel hun winstmarge onthullen.