Wie zijn enige en eigen woning aankoopt, bouwt of verbouwt, heeft tegenwoordig onder bepaalde voorwaarden recht op een allesomvattende aftrek voor de interesten, kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies die hij betaalt. Het basisbedrag van de aftrek is gelijk aan 1500 euro per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk. Dit basisbedrag wordt gedurende de eerste tien belastbare tijdperken verhoogd met 500 euro. En deze verhoging wordt op haar beurt nog eens opgetrokken met 50 euro wanneer de belastingplichtige drie of meer kinderen ten laste heeft bij het begin van het jaar dat volgt op het jaar waarin hij zijn lening afsluit.
...

Wie zijn enige en eigen woning aankoopt, bouwt of verbouwt, heeft tegenwoordig onder bepaalde voorwaarden recht op een allesomvattende aftrek voor de interesten, kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies die hij betaalt. Het basisbedrag van de aftrek is gelijk aan 1500 euro per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk. Dit basisbedrag wordt gedurende de eerste tien belastbare tijdperken verhoogd met 500 euro. En deze verhoging wordt op haar beurt nog eens opgetrokken met 50 euro wanneer de belastingplichtige drie of meer kinderen ten laste heeft bij het begin van het jaar dat volgt op het jaar waarin hij zijn lening afsluit. Voor het aanslagjaar 2007 (inkomsten van 2006) zijn deze bedragen na indexaanpassing respectievelijk gelijk aan 1920, 640 en 60 euro. Het maximumbedrag van de aftrek is voor het aanslagjaar 2007 dus gelijk aan 2620 euro per belastingplichtige. Elk van beide echtgenoten (of wettelijk samenwonenden) die aan de voorwaarden voor de aftrek voldoet, heeft recht op de aftrek. Samen hebben zij dus recht op een aftrek die maximaal (2620 x 2 =) 5240 euro per jaar kan bedragen. Keuze. In de wet staat te lezen dat echtgenoten (en wettelijk samenwonenden) die beiden aan de voorwaarden voldoen, en die samen worden belast, in principe vrij mogen kiezen hoe zij de aftrek voor de enige eigen woning onder elkaar zullen verdelen. Maar om ietwat mistige redenen heeft de wetgever willen vermijden dat de ene echtgenoot het geheel van de aftrek voor zijn rekening neemt. Hij heeft daarom beslist dat de vrije omdeling beperkt wordt tot een verhouding van 15/85. De aftrek mag dus ten hoogste voor 85 % geconcentreerd worden bij de ene echtgenoot. Voor de andere echtgenoot moet er altijd nog minstens 15 % overblijven. Hoe pas je dat in de praktijk toe? Zoals gezegd, bedraagt de aftrek voor het aanslagjaar 2007 per belastingplichtige maximaal 2620 euro. Stel een echtpaar dat minstens twee keer zoveel aan interesten, kapitaalaflossingen enzovoort heeft betaald. Zij kunnen dan maximaal twee keer 2620 euro in aftrek brengen. Samen dus 5240 euro. Aangezien de ene echtgenoot (A) meer verdient dan de andere (B), besluiten zij gebruik te maken van het vrije omdelingsrecht, en de aftrek zoveel mogelijk bij (A) te concentreren (waardoor de aftrek een hogere belastingbesparing oplevert). Volgens de wet hebben zij dat recht. Met dien verstande dat zij er rekening mee moeten houden dat minstens 15 % van de aftrek behouden blijft in hoofde van de minstverdiener (B). Normaal zou je dan verwachten dat (A) in het voorbeeld 85 % van 5240 euro of 4454 euro in aftrek zou mogen brengen, terwijl (B) 15 % van 5240 of 786 euro in aftrek brengt. Anders. Maar dat is buiten de waard - in de persoon van de minister van Financiën en zijn administratie - gerekend. Want die vinden dat men helemaal anders tewerk moet gaan. Volgens hen mogen echtgenoten en wettelijk samenwonenden de aftrek weliswaar vrij onder elkaar verdelen (binnen de perken van de 15/85-regel). Maar die vrije verdeling mag - zo redeneren zij - nooit tot gevolg hebben dat de aftrek in hoofde van een van beiden hoger wordt dan de aftrek die de wet aan één enkele belastingplichtige toestaat. Die aftrek is, zoals gezegd, per belastingplichtige (voor het aanslagjaar 2007) beperkt tot 2620 euro. Dus kan de vrije omdeling volgens de fiscus nooit tot gevolg hebben dat de aftrek in hoofde van een van beide echtgenoten (of wettelijk samenwonenden) hoger is dan 2620 euro. In het voorbeeld (en in de meeste gevallen) zorgt dit ervoor dat er van vrije omdeling helemaal niets in huis komt. Er valt niets om te delen. Volgens de minister en zijn administratie mag (A) maximaal 2620 euro in aftrek brengen, en rest er dus niets anders dan de andere 2620 euro in aftrek te brengen bij (B). Geen vrije omdeling dus. Dit hoewel uit de parlementaire voorbereiding duidelijk volgt dat de wetgever een vrije omdeling voor ogen had van het totale bedrag dat in hoofde van beide echtgenoten samen voor aftrek in aanmerking komt. Nog erger wordt het wanneer slechts een van beide echtgenoten aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden voldoet. Hoeveel mag hij dan in aftrek brengen? Het is de logica zelf dat de aftrek dan beperkt is tot maximaal 2620 euro. Niet dus, volgens de schriftgeleerden van Financiën. Volgens hen moet - om totaal onduidelijke redenen - ook in dit geval de 15/85-regel worden toegepast. De echtgenoot die aan de voorwaarden voldoet, mag zodoende slechts 85 % van 2620 euro in aftrek brengen (2227 euro). De overige 15 % gaat gewoon verloren. Tand. De minister van Financiën is over deze ongerijmdheden enkele maanden geleden al uitvoerig aan de tand gevoeld in het parlement. Met zijn liberale inborst, meestal niet krenterig als het erop aankomt fiscale voordelen uit te delen, wou hij ditmaal van geen wijken weten. Maar hij beloofde wel de zaak nog eens te zullen onderzoeken. Daarover is sindsdien niets meer gehoord. Allicht is het tijd om hem nogmaals aan de tand te voelen. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck