Het debat over de nucleaire kernenergie gaat over de energievoorziening voor de komende generaties, rekening houdend met de impact op het milieu en de economische haalbaarheid. We zouden het debat dus kunnen beschouwen als een microkosmos van duurzaam ondernemen. People, planet en profit, of de triniteit van duurzaam ondernemen, kruisen hier elkaar op zoek naar een evenwicht.
...

Het debat over de nucleaire kernenergie gaat over de energievoorziening voor de komende generaties, rekening houdend met de impact op het milieu en de economische haalbaarheid. We zouden het debat dus kunnen beschouwen als een microkosmos van duurzaam ondernemen. People, planet en profit, of de triniteit van duurzaam ondernemen, kruisen hier elkaar op zoek naar een evenwicht. Vermits de discussie ideologisch en pre-electoraal wordt gevoerd, bestaat de techniek van velen die zich geroepen voelen zich in het nucleair debat te mengen, erin één van deze drie aspecten uit te vergroten en op basis daarvan te pleiten voor het al of niet terugkomen op de beslissing van de nucleaire uitstap. Het debat is echter te belangrijk om te gebruiken als electorale inzet of om aan te tonen dat er nog wel degelijk ideologische verschillen bestaan tussen de partijen die elkaar verdringen in het centrum, en dat het einde van de ideologische oorlog, zoals aangekondigd door Fukuyama, nog niet nabij is. Het debat over de al of niet bevestiging van het uitstapscenario is echter allesbehalve ideologisch. De vraag is niet of de prijs van de energie moet worden gereglementeerd; ook niet of de exploitant een overheidsbedrijf moet zijn dan wel een privébedrijf. Deze ideologisch geladen thema's zijn Europees al beslecht. De liberalisering van de energieprijzen en het doorbreken van de overheidsmonopolies bij producenten en distributeurs, staan niet ter discussie. Dat de vrijgemaakte markt voldoende concurrentiëel moet blijven en dat te grote machtsconcentraties moeten worden vermeden, ook daarover bestaat geen debat, en de Europese concurrentietoezichthouder doet hier behoorlijk haar werk. De ideologische kwesties zijn dus getrancheerd en het debat moet dan ook enkel pragmatisch worden gevoerd. Pragmatisch betekent dat wij kijken wat de impact is op de drie bovengenoemde stakeholders. Voor de people is gegarandeerde voorziening aan betaalbare prijzen essentieel. Amerikaanse toestanden waarbij door winstgedrevenheid er onvoldoende strategische voorraden of alternatieve circuits zijn, en waarbij gedeelten van de bevolking lange tijd zonder energie komen te zitten, moeten we vermijden. Het nucleaire afschaffen zonder dat het alternatief voldoende maturiteit heeft opgebouwd om in de basisbehoeften van de markt te voorzien, is zinloos. Daarnaast dient voort gewerkt te worden aan rationalisatie van energieverbruik. Sensibilisering van de people en promotie van energieconvenanten en energieaudits zijn daarbij nuttige instrumenten die nog veel rationalisatiepotentieel kunnen exploiteren. Voor de planet berekende het Planbureau, dat als een objectief orgaan kan worden aanzien, dat het Kyoto-objectief onmogelijk gehaald kan worden als de nucleaire energie niet langer wordt ingezet. Nucleaire energie is immers de betere aanpak voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Een effectieve sluiting van een kerncentrale kan dus pas gebeuren als men eerst aantoont hoe de stijging van CO2-uitstoot zal worden vermeden. Voort zoeken naar alternatieve en propere energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie, is daarbij essentieel. Wat de profit betreft, moet een gedeelte van het rendement gebruikt worden voor het financieren van onderzoek, zowel inzake nucleaire als inzake niet-nucleaire energie. Op het gebied van het nucleaire hadden wij in België (o.a. met Belgonucleair) een schitterende knowhow opgebouwd. Ondertussen werd die ontmanteld en als wij eventueel op het sluitingsscenario zouden terugkomen, zullen duurbetaalde internationale consulenten ons moeten bijstaan. Het superdividend dat zou samengaan met het langer openhouden (of niet sluiten) van de nucleaire centrales zou integraal gebruikt kunnen worden voor onderzoek en implementatie van alternatieve niet-fossiele en niet-nucleaire energiebronnen en voor nucleair gerelateerde materies zoals onderzoek naar de behandeling van nucleair afval. Groene certificaten, die quota's hernieuwbare energie opleggen (en die producenten bestraffen die niet voldoende hernieuwbare energie inzetten) kunnen gradueel worden verhoogd. In een pragmatische, en niet-ideologische, benadering moeten we niet disjunctief (of/of) maar conjunctief (en/en) leren denken. Met andere woorden: de keuze is niet nucleaire energie of alternatieve energie, maar nucleaire energie én alternatieve energie. Rationeel energiegebruik, windmolenparken en zonne-energie moeten voort worden gepromoot. Maar zolang die geen voldoende alternatief bieden voor de nucleaire energie, is pragmatisme geboden. Men doet toch ook zijn oude auto niet van de hand als de nieuwe pas een jaar later wordt geleverd, tenzij men ondertussen geen behoefte aan mobiliteit heeft. De industrie heeft dat al begrepen. Teneinde energievoorziening aan aanvaardbare prijzen te garanderen en te ontsnappen aan de ideologisch geladen pre-electorale debatten, onderzoeken bepaalde bedrijven de bouw van een nieuwe nucleaire centrale in eigen beheer. Voorts richten zij bleu sky op, een alliantie tussen Arcelor Mittal, Duferco, Air Liquide, BASF, Solvay, Tessenderlo en Umicore, om door middel van langetermijncontracten hun energievoorziening zoveel mogelijk te bestendigen. Haal dus het energiedebat uit de ideologische sfeer, bekijk het pragmatisch en conjunctief met oog voor people, planet en profit. Sofisme in een dergelijk dossier is het laatste wat ons land zich kan permitteren. De auteur is secretaris-generaal van het Vlaamse Departement Economie, Wetenschappen en Innovatie. Hij schrijft deze column in persoonlijke naam. Reacties: blikvanaernaoudt@trends.beRudy Aernoudt