Een ster zonder capsones: Philip Glass wandelt bijna verlegen door de imposante gangen van het Lloyd Hotel aan het Amsterdamse IJ. De componist - net aangekomen uit New York - zet meteen alle zeilen bij om zijn liefde voor de films van de Franse regisseur Jean Cocteau te bezingen. "In de jaren vijftig zag ik La Belle et la Bête, zijn zwart-witverfilming van het sprookje van Leprince de Beaumont uit 1946. Dertig jaar lang bleef die film in mij nazinderen." Tot 1995, wanneer Glass de geluidsband van de film afhaalt en muziek componeert waarbij de gezongen tekst gesynchroniseerd wordt met de beelden van de film. Het huzarenstuk wordt in 2006 voor het laatst live uitgevoerd.
...

Een ster zonder capsones: Philip Glass wandelt bijna verlegen door de imposante gangen van het Lloyd Hotel aan het Amsterdamse IJ. De componist - net aangekomen uit New York - zet meteen alle zeilen bij om zijn liefde voor de films van de Franse regisseur Jean Cocteau te bezingen. "In de jaren vijftig zag ik La Belle et la Bête, zijn zwart-witverfilming van het sprookje van Leprince de Beaumont uit 1946. Dertig jaar lang bleef die film in mij nazinderen." Tot 1995, wanneer Glass de geluidsband van de film afhaalt en muziek componeert waarbij de gezongen tekst gesynchroniseerd wordt met de beelden van de film. Het huzarenstuk wordt in 2006 voor het laatst live uitgevoerd. Nu, naar aanleiding van zijn 75ste verjaardag, neemt Glass de draad weer op en brengt hij 'zijn' La Belle et la Bête terug op de bühne in De Bijloke in Gent. De twee live-uitvoeringen vormen meteen een van de pronkstukken van de 2012-2013 programmatie die De Bijloke onlangs voorstelde. Al is het wachten tot januari 2013 eer het zover is. "We ontmoetten Glass in 2011 in Middelburg, waar hij zijn bekendere werken 'Einstein on the Beach' en Koyaanisqatsi bracht", vertelt artistiek leider Frank Pauwels. "We vroegen hem of hij zijn bewerking van Cocteau opnieuw wilde brengen. Dat wilde hij wel, maar hij stelde meteen dat het opnieuw behoorlijk wat studie- en repetitietijd zou kosten." Glass is wiskundige en filosoof van opleiding. Dat kwam hem bij het maken van La Belle et la Bête zeer goed van pas, vooral om de tekst van de muziek te synchroniseren met de beelden van de film. Met zijn versie van La Belle et la Bête wilde Glass de grens tussen film en opera slopen. "Opera was heel populair in de negentiende eeuw, film was dat in de twintigste. De link fascineert me. Alleen film en opera combineren beeld, beweging, tekst en muziek. Dat maakt beide genres zo boeiend en zo rijk", legt de componist uit. "Opera's zijn al vaker verfilmd, maar het omgekeerde - van een film een opera maken - was veel minder vanzelfsprekend." Glass heeft ook achterhaald waarom hij zo aan die film van Cocteau gehecht is: "Hij onderzoekt het wezen van de creativiteit. Het sprookjeskasteel als een allegorie van de plaats voor creativiteit. Het paard staat daarbij voor doorzetting, de sleutel voor techniek, de roos voor schoonheid, de spiegel voor het pad en de handschoen voor fierheid. Dat zijn precies de vijf elementen die broodnodig zijn om tot creativiteit te komen. Ik zie het een beetje als een Credo voor Creativiteit. Een manifest." Creativiteit houdt Glass al zijn hele carrière gaande. Met een vanzelfsprekend gemak flaneert hij door de verschillende genres: film, opera, kamermuziek, ballet, theater. Hij schrijft net zo goed voor strijkkwartetten als voor David Bowie en Martin Scorsese. "Weet je, creativiteit is overal. Als ik dit kopje koffie op tafel 10 centimeter verplaats, dan ben ik creatief bezig. Ik vond het wiskundige probleem van de tekstsynchronisatie tussen film en opera daarom ook heel boeiend. Je moét wel creatief zijn om het op te lossen. Je kan het puur wiskundig berekenen en uitschrijven, maar dan wordt het muzikale resultaat vast snel saai. Arthur Rubinstein speelt toch ook geen pianoconcerto's van Beethoven met een tikkende metronoom? Af en toe moet je versnellen, en dan weer wat vertragen. Zelfs in de wereld van de striktere minimalistische muziek moeten we afstappen van het dogma dat zes plus zes twaalf is. Soms is het wat minder, soms wat meer." Een en ander geeft bij live-opvoeringen sowieso vuurwerk. Michael Riesman, artistiek directeur van het Philip Glass Ensemble, moet als dirigent bijzonder meticuleus te werk gaan. Alleen hij krijgt de filmbeelden te zien. De zangers moeten zich honderd procent op hun dirigent concentreren. Glass: "Ik gun hem toch wel wat vrijheid hoor. Voor onze perceptie is het trouwens al dik in orde als we op geregelde tijdstippen goed synchroon zijn: onze hersenen interpoleren die ijkpunten met elkaar en concluderen makkelijk dat het hele werk goed gesynchroniseerd is. Wel, dat zal het niet zijn." Kan de wiskundige wel leven met die vrijheidsgraden? "Muziek mag nooit mechanisch worden", sust hij. "Het is goed dat er hier en daar wat speling op zit." Het maakt het de toeschouwer-toehoorder in elk geval niet makkelijk. Het stuk vraagt bijzonder veel van de cast, maar evenzeer van het publiek. "In het begin zal je in tweestrijd zitten: kijk je nu naar een film of luister je naar een opera?", verklaart Glass "Je zal merken dat het een autodidactisch proces is. Gaandeweg zal je leren hoe je beide belevenisniveaus met elkaar kan combineren. Twee gesynchroniseerde performances die tot één stuk samensmelten." Wie het autodidactische creativiteitsproces van Philip Glass live wil meemaken, moet op vrijdag 25 en zaterdag 26 januari 2013 naar de Bijloke komen. Glass zal zijn opera inleiden. Beide opvoeringen lopen in samenwerking met het Internationaal Filmfestival van Vlaanderen - Gent. AART DE ZITTER"Muziek mag nooit mechanisch worden. Het is goed dat er hier en daar wat speling op zit"