De regeringsmaanden vliegen, de mediabrandjes steken op en waaien over, de vakbondsprotesten dansen op en neer, de begrotingscontroles passeren en... van de pensioenhervorming horen we bitter weinig. Dat maakt mij ongerust. Is het de federale regering echt menens met het uitrollen van de grote pensioenhervorming die een officiële Pensioencommissie in opdracht van de vorige regering heeft voorbereid? We hebben al zovele jaren verkwanseld aan pensioengerommel in de marge. Telkens een paar millimeter verder. Telkens groot gejoel en gejammer. Om telkens weer te herbeginnen.
...

De regeringsmaanden vliegen, de mediabrandjes steken op en waaien over, de vakbondsprotesten dansen op en neer, de begrotingscontroles passeren en... van de pensioenhervorming horen we bitter weinig. Dat maakt mij ongerust. Is het de federale regering echt menens met het uitrollen van de grote pensioenhervorming die een officiële Pensioencommissie in opdracht van de vorige regering heeft voorbereid? We hebben al zovele jaren verkwanseld aan pensioengerommel in de marge. Telkens een paar millimeter verder. Telkens groot gejoel en gejammer. Om telkens weer te herbeginnen. Ook de regering-Michel heeft al aan de pensioencarrousel gedraaid. Maar gaat ze nu de zevenmijlslaarzen aantrekken? Is er de sense of urgency om eindelijk grondig te hervormen? De oudste babyboomer is intussen al zeventig jaar. Als we zo bezig blijven, zal de pensioenhervorming de generatie die haar noodzakelijk maakt, nagenoeg volledig sparen. De volgende generatie zal dan én de vergrijzingsfactuur én de staatsschuld én de pensioenhervorming moeten torsen, en waarschijnlijk nog voor zichzelf moeten pensioensparen ook. Er zijn drie hoofdredenen waarom we de pensioenen moeten hervormen: de grote babyboomgeneratie trekt de verhouding tussen de gepensioneerde en de bijdragende werkende generatie scheef, we leven almaar langer en we hebben minder kinderen. Elk van die drie factoren ondermijnt het historische fundament van de wettelijke pensioenen in België: de overtuiging dat de volgende generatie in verhouding tot de vorige steeds talrijker en dus welvarender zou zijn en daardoor met gemak de pensioenen van die vorige generatie zou kunnen betalen. Die overtuiging was een demografische en economische gok. De gok blijkt nu mislukt. We kunnen nu vier dingen doen: ofwel laten we de wettelijke pensioenen eroderen; ofwel laten we de pensioenuitgaven andere overheidsuitgaven kannibaliseren; ofwel verhogen we de lasten en verknechten we de jongeren voor de facturen uit het verleden; ofwel zetten we de pensioenen op een nieuw en duurzaam fundament. Hoe langer we wachten met de laatste optie, hoe waarschijnlijker de andere opties. Dat is nu al zo: in deze legislatuur moet er al 8 miljard euro extra worden gevonden voor de stijgende pensioenkosten. De pensioenkranen van de vergrijzing staan intussen open. We draaien de kranen niet dicht en zoeken nog koortsig dweilen. De grootste urgentie is en blijft het verlengen van de loopbaan van de nog actieve babyboomers. Het is ronduit stuitend dat we, tien jaar na het Generatiepact, daarin amper verder zijn geraakt dan het gradueel verminderen van vervroegd pensioen. Er moet een gecoördineerde aanval worden ingezet op het afschrijfmodel dat, sinds de invoering van het brugpensioen in de jaren zeventig, de loopbanen kunstmatig verkort. Dat betekent lagere loonlasten (lees: taxshift), grotere arbeidsflexibiliteit, meer en vroegere loopbaanplanning, meer ondersteuning voor oudere werkzoekenden en de volledige stopzetting van alle statuten die inactiviteit faciliteren. Die cocktail moet ook losgelaten worden op de hele publieke sector, waar de gewoontes van vroege pensionering vaak nog hardnekkiger zijn dan in het bedrijfsleven. De ingrediënten voor een pensioenvernieuwing zijn ook bekend: flexibel pensioen, sterkere band tussen werken en pensioenrechten, een echte tweede pensioenpijler van collectief sparen en -- vooral -- een mechanisme om de generatiegok onder de wettelijke pensioenen te veranderen in generatiezekerheid. Daarvoor moeten we de demografische en economische evolutie waarop pensioenbeloftes anticiperen, in die pensioenbeloftes zelf steken om die daarvan afhankelijk te maken. Dat is ook wat de Pensioencommissie voorstelt. Dat betekent een georganiseerde inbraak in de pensioenverwachtingen en een fundamentele breuk in de pensioencultuur. Pensioen zal niet langer verworven zijn, maar variabel. Niet langer gebetonneerd ongeacht de economische realiteit, maar daarvan een afspiegeling. In vergelijking hiermee verzinkt de brugpensioenheisa in het niet. Zal deze regering werkelijk de moed, de kracht, de visie en het vernuft hebben om deze pensioenkentering door te drukken? Hoop doet leven. De auteur is directeur van de denktank Itinera en doceert aan de UGent. Hij schrijft deze column in eigen naam.MARC DE VOSHet is ronduit stuitend dat we, tien jaar na het Generatiepact, amper verder zijn geraakt dan het gradueel verminderen van vervroegd pensioen.