Het wettelijk pensioenstelsel wordt gefinancierd door repartitie, dat wil zeggen door een inkomensoverdracht van de aktieve naar de gepensioneerde bevolking. Dit stelsel is financieel in evenwicht als de bijdragen van de aktieve bevolking in een bepaalde periode precies gelijk zijn aan het totaal van de pensioenuitkeringen in diezelfde periode. In principe streeft het wettelijk pensioen ook een min of meer vaste verhouding na tussen de hoogte van het pensioen en het loon dat werd verdiend tijdens de aktieve beroepsloopbaan. Dat is mogelijk zonder verhoging van de bijdragen...

Het wettelijk pensioenstelsel wordt gefinancierd door repartitie, dat wil zeggen door een inkomensoverdracht van de aktieve naar de gepensioneerde bevolking. Dit stelsel is financieel in evenwicht als de bijdragen van de aktieve bevolking in een bepaalde periode precies gelijk zijn aan het totaal van de pensioenuitkeringen in diezelfde periode. In principe streeft het wettelijk pensioen ook een min of meer vaste verhouding na tussen de hoogte van het pensioen en het loon dat werd verdiend tijdens de aktieve beroepsloopbaan. Dat is mogelijk zonder verhoging van de bijdragen van de aktieven zolang ook de verhouding tussen het aantal aktieven en het aantal gepensioneerden konstant blijft. Volgens de sociaal-demografische prognoses van het Planbureau zal deze verhouding tussen 1994 en 2050 echter bijna worden gehalveerd van iets meer dan 2 tot 1,1. Bijgevolg zouden de bijdragen tegen 2050 Bijna moeten verdubbelen om de verhouding tussen het wettelijk pensioen en het gemiddeld loon te stabilizeren. Gegeven de al hoge (para)fiskale druk, is dat irrealistisch. De ontwikkeling van het wettelijk pensioen naar een uitkering die in vergelijking met het gemiddeld loon beduidend lager zal liggen, is dan ook onvermijdelijk.Om het inkomen van gepensioneerden op peil te houden, worden aanvullende, op kapitalizatie gebaseerde pensioenstelsels (de zogenaamde tweede en derde pensioenpijler) steeds belangrijker. Kapitalizatie betekent dat door de storting van bijdragen reserves worden opgebouwd om de toekomstige uitkeringen te financieren. De mate waarin deze reserves nu al zijn ontwikkeld in de EU-lidstaten, is omgekeerd evenredig aan de mate waarin het wettelijk pensioen voorziet in de vervanging van het tijdens de beroepsloopbaan verdiende loon (zie grafiek). In België verschilt dat vervangingspercentage sterk naargelang van de hoogte van het beroepsinkomen. Zo bedraagt het wettelijk bediendenpensioen van een alleenstaande met volledige loopbaan en een bruto eindsalaris van BEF 1 miljoen momenteel vóór belastingen ongeveer 41 % van dat salaris. Bij een bruto eindsalaris van BEF 3 miljoen is dat nog 18 %. Dat vergroot uiteraard vooral voor de hogere loonkategorieën de aantrekkingskracht van aanvullende pensioenen. Momenteel is in België ongeveer 35 % van de loontrekkenden in de partikuliere sektor aangesloten bij een ondernemingspensioenfonds of groepsverzekering (de tweede pijler). Bij de bedienden is dat nagenoeg 60 %, bij de arbeiders 10 %. De hoge pensioenen die de overheid uitkeert en die nog steeds het karakter van een uitgesteld loon hebben, brengen mee dat aanvullende regelingen op het niveau van de tweede pijler voor ambtenaren onbestaande zijn. Dat is heel anders in bijvoorbeeld Nederland, waar de overheid haar personeel een ruime bijkomende uitkering boven het wettelijk basispensioen toezegt via het ABP, het op één na grootste pensioenfonds ter wereld.