Tijdens een debat in Gent tussen studenten, minister van Financiën Koen Geens (CD&V) en minister van Pensioenen Alexander De Croo (Open Vld) bleek dat veel jongeren zich al zorgen maken over hun pensioen. Ze hebben het gevoel dat de Belgische overheid niet klaar is voor de vergrijzingsgolf en dat er over veertig jaar geen geld meer is om hen een leefbaar minimuminkomen te garanderen. Hoewel minister Geens die bezorgdheid suste, is het als twintiger of dertiger verstandig een plan B op te stellen en te sparen voor een extra inkomen naast het wettelijk pensioen.
...

Tijdens een debat in Gent tussen studenten, minister van Financiën Koen Geens (CD&V) en minister van Pensioenen Alexander De Croo (Open Vld) bleek dat veel jongeren zich al zorgen maken over hun pensioen. Ze hebben het gevoel dat de Belgische overheid niet klaar is voor de vergrijzingsgolf en dat er over veertig jaar geen geld meer is om hen een leefbaar minimuminkomen te garanderen. Hoewel minister Geens die bezorgdheid suste, is het als twintiger of dertiger verstandig een plan B op te stellen en te sparen voor een extra inkomen naast het wettelijk pensioen. De groepsverzekering en het pensioensparen zijn een onderdeel van zo'n plan B, maar ze zullen voor de meesten niet volstaan. Steeds vaker zijn groepsverzekeringen defined-contributionplannen, waarvan het eindsaldo afhangt van de prestatie van de beleggingsportefeuille waarin de bijdrages worden geïnvesteerd, in tegenstelling tot de vroegere defined-benefitplannen, waarvan het eindkapitaal vastlag. De jaarlijkse bijdrage aan het pensioensparen is beperkt. Vaak kiezen beleggers voor tak21-pensioenspaarproducten. De ultralage rente heeft de minimaal gegarandeerde rente onder druk gezet, en ook de extra winstdeelnemingen vielen de jongste tijd mager uit. Als we ervan uitgaan dat de jaarlijkse maximale bijdrage aan het pensioensparen met 2 procent stijgt (de indexatie door de inflatie) en dat het product een rendement van 4 procent per jaar haalt, dan bedraagt het eindkapitaal na 35 jaar amper 100.000 euro. Voordat u het eindkapitaal krijgt, passeert de fiscus nog langs de kassa (momenteel bedraagt het tarief 10 %). Vergeet niet dat het minimuminkomen dat u nodig hebt, ook stijgt door de inflatie. Beloopt de inflatie 2 procent, dan is een inkomen van 2000 euro per maand (24.000 euro per jaar) over 35 jaar gelijk aan 4000 euro (48.000 euro per jaar). Bedraagt de inflatie 3 procent, dan is dat 5630 euro (67.500 euro per jaar). De vraag is of het wettelijk pensioen over 35 jaar dat bedrag kan dekken. De tijden van de lage rente zijn bovendien nog lang niet voorbij. In de Verenigde Staten houdt de Federal Reserve zijn monetaire stimuleringsprogramma aan, en de Europese Centrale Bank overweegt de rente nog te verlagen. We zitten in een periode van schuldafbouw, en dan komt een lage rente goed van pas. Ook een stijgende inflatie richting 4 of 5 procent kan daarbij helpen. De kans is groot dat de centrale banken niet ingrijpen als de inflatie in de hoogte schiet. Jonge beleggers kunnen naast hun groepsverzekering en hun pensioensparen dus het beste nog een extra kapitaal opbouwen. Een volledig afbetaald huis is een onderdeel van zo'n plan B, maar het is opnieuw niet voldoende. Als u geen huur of hypotheek hoeft te betalen, kunt u misschien met minder dan 2000 euro per maand rondkomen. Het alternatief is dat u uw woning verhuurt of verkoopt, en het kapitaal gebruikt om een extra inkomen te hebben. Maar dan zult u wel huur voor een nieuwe woning moeten betalen. De spaarders moeten zich aanpassen aan die nieuwe realiteit. Voor gepensioneerde beleggers volstaat het niet meer het kapitaal enkel in obligaties te stoppen. Obligaties met de hoogste kredietwaardigheid bieden nauwelijks tot geen bescherming tegen de inflatie, zelfs niet over lange looptijden. Een gediversifieerde inkomensportefeuille moet daarom ook dividendaandelen en obligaties met een BBB- en BB-rating bevatten. Voor jonge beleggers heeft die nieuwe realiteit nog een onaangenaam gevolg. De grote koersstijgingen van aandelen in de jaren negentig zijn onhaalbaar in deze periode van schuldafbouw, die tot vijftien jaar kan duren. Bovendien blijkt uit studies dat de helft tot driekwart van het rendement van aandelen op lange termijn voortkomt uit het opnieuw investeren van de dividenden. Dividendaandelen hebben dus een plaats in de portefeuilles van jonge beleggers, op voorwaarde dat de dividenden worden herbelegd. MATHIAS NUTTIN