De uitzonderlijke toestand waarin de wereldeconomie zich in de voorbije twee jaar bevond, is onthutsend. Het wereldwijde BBP groeide tegen een gemiddeld ritme van 4,7 %, de snelste aanwas in twee opeenvolgende jaren sinds de jaren zeventig. Van de aanvang tot het midden van 2005 lieten alle 55 landen die The Economist elke week opvolgt, een positieve groei zien. En dat was al voor het tweede opeenvolgende jaar. Nochtans was er in elk jaar van de voorgaande kwarteeuw op zijn minst één economie die te maken had met een recessie.
...

De uitzonderlijke toestand waarin de wereldeconomie zich in de voorbije twee jaar bevond, is onthutsend. Het wereldwijde BBP groeide tegen een gemiddeld ritme van 4,7 %, de snelste aanwas in twee opeenvolgende jaren sinds de jaren zeventig. Van de aanvang tot het midden van 2005 lieten alle 55 landen die The Economist elke week opvolgt, een positieve groei zien. En dat was al voor het tweede opeenvolgende jaar. Nochtans was er in elk jaar van de voorgaande kwarteeuw op zijn minst één economie die te maken had met een recessie. Maar, jawel, de geschiedenis wijst uit dat de zaken niet eeuwig zo rooskleurig kunnen blijven. De onheilsprofeten, die al geruime tijd een verzwakking verwachten van de consumptiebestedingen (een van de belangrijkste drijvende krachten achter de wereldwijde groei), hebben tot dusver geen gelijk gekregen. Toch bestaan er aanvaardbare redenen om aan te nemen dat 2006 het jaar wordt waarin de consumenten in de Verenigde Staten en verscheidene andere economieën het zullen laten afweten. Ondanks - of misschien precies wegens - haar spectaculaire groei, heeft de wereldeconomie zelden zo uit balans geleken met de historische normen. De reële olieprijzen staan op meer dan twee keer het gemiddelde van de voorbije twee decennia, terwijl de opbrengsten uit obligaties kwijnen in de buurt van een laagterecord. Het Amerikaanse sparen staat op een dieptepunt, het deficit op de lopende rekening op een hoogtepunt. Niet minder belangrijk is, dat er gelijktijdig een boom in de woningmarkt is geweest in een ongemeen groot aantal landen, van de VS tot Groot-Brittannië, van Frankrijk tot Spanje. Gemeten aan de stijging van de vastgoedwaarden over de voorbije vijf jaar, is de wereldwijde boom op de woningmarkt de grootste financiële bubbel in de geschiedenis. Een wereldeconomie die zo uit balans is, is kwetsbaar voor schokken. Wat zou de huizenprijzen kunnen doen zakken en de consumenten ertoe brengen snel hun portemonnee dicht te houden? Het antwoord is: hoge olieprijzen. Omdat de vraag naar olie gevaarlijk sterk aantrekt en de productie- en raffinagecapaciteit ongewoon krap is, is het waarschijnlijk dat de prijzen in 2006 hoog zullen blijven. De olieprijzen zijn sinds het einde van 2001 meer dan verdrievoudigd en dat is vergelijkbaar met de prijssprongen van 1973-1974, 1978-1980 en 1989-1990, die allemaal gevolgd werden door een wereldwijde recessie. De belangrijkste reden waarom de olieprijzen tot nu toe de wereldeconomie niet geremd hebben, is dat goedkoop geld de woningbubbels en de koopwoede in heel wat landen heeft ondersteund en zo de weerslag van de duurdere petroleum heeft tenietgedaan. In 2005 zal de Verenigde Staten bijvoorbeeld 120 miljard dollar méér betaald hebben voor zijn olie dan een jaar eerder, maar dat is niets vergeleken bij de waardestijging op de residentiële vastgoedmarkt, die 2,5 biljoen dollar bedroeg. Wanneer de woningprijzen afvlakken of dalen, zullen de consumenten pas de volle impact van de duurdere olie voelen. Een nieuwe oprisping van de olieprijzen zou de vastgoedbubbel wel eens kunnen doorprikken en het consumentenvertrouwen ondermijnen. In grote delen van Groot-Brittannië en Australië zijn de huizenprijzen sinds 2004 stilaan gedaald. De Amerikaanse woningmarkt loopt waarschijnlijk een jaar of zo achter: in 2006 zal de jaar-op-jaargroei van de gemiddelde prijzen terugvallen op nul. De ervaring in Groot-Brittannië en Australië wijst uit dat gewoon een nivellering van de huizenprijzen - het hoeft zelfs niet om een effectieve daling te gaan - al voldoende is om een scherpe daling van de consumentenbestedingen uit te lokken. De helft van de banen die sinds 2001 in de Amerikaanse privé-sector gecreëerd werden, behoren tot sectoren die met huisvesting te maken hebben en een groot deel van de groei in de consumentenbestedingen werd gefinancierd met leningen, aangegaan op basis van de vermogensaanwas van woningen. Daarom zal een scherpe daling van de huizenprijzen pijnlijke gevolgen hebben. De huidige combinatie van goedkoop geld, hoge olie- en woningprijzen en grote begrotingstekorten roept onheilspellende herinneringen op aan de jaren zeventig, toen de wereldwijde inflatie op gang kwam. Het verschil is dat de verschillende centrale banken waarschijnlijk niet meer dezelfde beleidsblunders zullen begaan als in de jaren zeventig en dat de intrede van het massale arbeidspotentieel van China in de wereldeconomie ertoe bijdraagt dat het loonniveau aan banden gelegd wordt. Een terugkeer naar tweecijferige inflatie is daarom niet waarschijnlijk. Er bestaat echter een groter risico, namelijk dat de verwachting dat de inflatie zal toenemen het vermogen van de Federal Reserve en andere centrale banken zal beperken om de interestvoeten naar beneden te halen wanneer de huizenprijzen dalen en de bestedingen stokken. Door de interesten drastisch terug te snoeien, nadat in 2001-2002 de aandelenbubbel uiteenspatte, voorkwamen centrale banken een grimmige recessie. Maar op dat ogenblik was de inflatie aan het afnemen. Bovendien torsen de meeste regeringen - zeker de VS - enorme begrotingstekorten. Ze hebben dus erg weinig ruimte om hun economie op te peppen met belastingverlagingen. Een straaltje hoop komt van de Japanse economie, die nu in een betere gezondheid lijkt te verkeren. Een ander sprankje komt uit Duitsland, waar de hervormingsplannen van de regering weliswaar stilgevallen zijn, maar waar de bedrijfswereld druk bezig geweest is met conditietraining om zichzelf competitiever te maken. Vroeg of laat zou dat kunnen leiden tot meer investeringen en jobs. Duitsland en Japan zijn overigens zo goed als unieke gevallen onder de ontwikkelde economieën, omdat hun groei niet werd aangezwengeld door vastgoedbubbels, zodat de consumentenbestedingen - eens die weer aantrekken - minder kwetsbaar zijn voor het eventueel uiteenspatten van een zeepbel. Als de tweede en derde grootste economieën ter wereld ontwaken uit hun lange slaap en als de olieprijzen het wat zachter aan doen, dan zou de wereldeconomie in 2006 slechts een zachte vertraging kunnen beleven. Indien niet - en de Amerikaanse consumenten verliezen het vertrouwen - moeten we ons voorbereiden op een fikse inzinking. De auteur is redacteur economie van The Economist.Pam Woodall