Lees Belastingen op bedrijven hebben grens bereikt, blz. 20
...

Lees Belastingen op bedrijven hebben grens bereikt, blz. 20De PS pleit al geruime tijd voor een minimumbelasting voor bedrijven. Bij de lopende begrotingscontrole gooit ze de taks weer op tafel. Vicepremier Laurette Onkelinx, partijvoorzitter Paul Magnette en co ergeren zich mateloos aan sommige multinationals die in België amper vennootschapsbelasting betalen. Voor zij die het wel doen, ligt het effectieve tarief in de vennootschapsbelasting op 12,4 procent. Dat is een stuk lager dan het officiële tarief van 33,99 procent. Het verschil is te verklaren door allerlei aftrekposten en uitzonderingen. Er is de aftrek definitief belaste inkomsten (DBI), er zijn de meerwaarden en de notionele-intrestaftrek. In politieke kringen -- niet alleen bij de PS -- is te horen dat dit systeem het best overboord wordt gegooid. Een minimumbelasting is voor de meeste partijen een brug te ver, maar een nominaal en effectief tarief rond het Europese gemiddelde van 24 procent zien ze wel zitten. Dat stuit op protest van de werkgeversorganisaties omdat een lage vennootschapsbelasting groeibevorderend is. De focus van sommige politieke partijen op de vennootschapsbelasting is verwonderlijk aangezien die in totaal slechts 10 miljard euro opbrengt of 6 procent van de totale fiscale en parafiscale inkomsten. Ter vergelijking, de personenbelasting en de sociale bijdragen zijn elk goed voor 25 tot 30 procent van de totale overheidsinkomsten. Politici als Onkelinx vinden dat het betalen van vennootschapsbelasting een hoge symbolische waarde heeft. Het is een soort bijdrage die bedrijven moeten leveren tot de gemeenschappelijke welvaart. De werkelijke maatschappelijke bijdrage van de bedrijven is veel meer dan enkel de vennootschapsbelasting. Bedrijven betalen nog een honderdtal andere taksen, bijvoorbeeld belastingen op onroerend goed, milieubelastingen, belastingen op activa allerhande, lokale taksen, de registratierechten, verkeersbelastingen, het Eurovignet, enzovoort. Daarnaast komen er nog allerlei patronale bijdragen bij. Dan zijn er nog de zogenaamde belastingen op bedrijfsuitvoer. Als we die taksen samentellen, komen we tot de totale maatschappelijke bijdrage van de bedrijven. Het gaat om een belangrijk deel van de waardecreatie van bedrijven, die door de overheid wordt afgeroomd. Trends ging na welke honderd bedrijven in België de hoogste maatschappelijke bijdrage in euro betalen. In onze berekening houden we geen rekening met de werknemersbijdrage en de be-drijfsvoorheffing. De totale lasten van de honderd bedrijven die het meest bijdragen aan de staatskas bedroegen 9,311 miljard euro in 2011, leren cijfers uit de Trends Top 30.000. Het bedrijf met de hoogste bijdrage aan de maatschappelijke welvaart is de oliereus Total voor een bedrag van 1,625 miljard euro. Op de tweede plaats staat Shell met bijna 450 miljoen euro. De hoge bedragen van de oliereuzen zijn in belangrijke mate toe te schrijven aan de vele accijnzen die ze innen en doorbetalen aan de fiscus. Uit de resultaten blijkt dat sommige bedrijven inderdaad zeer weinig vennootschapsbelasting betalen, maar een veelvoud aan andere belastingen afdragen. Door de band genomen, bedragen de vennootschapsbelastingen slechts 18 procent van de totale maatschappelijke bijdragen van bedrijven. Ondernemingen met veel personeel betalen dan weer een hoog bedrag aan patronale bijdragen. Dat merken we bijvoorbeeld bij uitzendbedrijven als Randstad of Adecco. Ook de NMBS Holding scoort sterk, maar dat komt omdat het personeel van de werkmaatschappijen (NMBS en Infrabel) onder de holding ressorteren. Met een aantal voorbeelden kan je niet anders dan concluderen dat we ons niet te veel mogen vastpinnen op de al of niet betaalde vennootschapsbelasting. Nemen we om te beginnen Colruyt. De retailer leverde vorig jaar een maatschappelijke bijdrage van 224 miljoen euro. Meer dan de helft daarvan bestaat uit patronale bijdragen. Bij het schoonmaakbedrijf ISS is de totale bijdrage van 67 miljoen euro bijna integraal toe te schrijven aan de werkgeversbijdragen. Het uitzendbedrijf Tempo-Team en het staaldraadbedrijf Bekaert betaalden in 2011 geen vennootschapsbelasting, maar legden wel 65,5 en 45,5 miljoen euro werkgeversbijdragen neer. Die cijfers tonen aan hoe de sociale zekerheid alleen kan leven bij gratie van bedrijven die massaal mensen werk verschaffen. Ook de hoge patronale bijdragen van ArcelorMittal -- uiteraard voor de herstructureringen en sluitingen die nu volop aan de gang zijn -- ten bedrage van 160 miljoen euro -- lopen op. Voorts zijn de distributiebedrijven belangrijke donoren aan de sociale zekerheid. Delhaize stort jaarlijks 154 miljoen euro aan sociale bijdragen door. Bij Carrefour is dat 65 miljoen euro. Telkens een veelvoud van de vennootschapsbelasting. Ook de case Caterpillar is interessant om analyseren. De machinebouwer met een vestiging in Gosselies wil 1400 werknemers ontslaan. Het bedrijf was in 2011 goed voor 52 miljoen euro aan sociale bijdragen. Dat is acht keer de winstbelasting. Om het maatschappelijk dividend van ondernemers te maximaliseren, doen de beleidsmakers er dus goed aan een gunstig investeringsklimaat te creëren, eerder dan de focus te verleggen naar het optrekken van bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting. Dat is ook de mening van de werkgeversorganisaties. Het zit tal van bedrijven hoog dat ze het verwijt krijgen misbruik te maken van de bestaande fiscale wetgeving om hun winsten voor zich te houden. Bij de voorstelling van de jaarresultaten kwam de weefgetouwenfabrikant Picanol met cijfers op de proppen waaruit blijkt dat 44,65 procent van de toevoegde waarde die het bedrijf creëert naar de schatkist verdwijnt. En vorig jaar zette ook Colruyt de puntjes op de i. In het jaarverslag 2010 van Colruyt staat een interessant paragraafje onder de naam 'Bijdragen aan de Belgische schatkist'. Daar is te zien dat de vennootschapsbelasting van 145,8 miljoen euro voor het grootste gedeelte naar de Belgische fiscus gaat: voor 138,5 miljoen euro. Maar een veel groter bedrag, 235 miljoen euro, bestaat uit werkgevers- en werknemersbijdragen. Als je daar nog de bedrijfsvoorheffing op lonen, de roerende en onroerende voorheffing en allerlei belastingen aan toevoegt, dan kom je uit op 747,3 miljoen euro die naar de staatskas vloeit of 55,01 procent van de toegevoegde waarde. De voorbeelden van Picanol en Colruyt geven aan dat het niet alleen interessant is na te gaan wat de totale maatschappelijke bijdrage precies inhoudt. We kunnen die ook afzetten tegen de totale toegevoegde waarde van het bedrijf. Zo krijg je een duidelijk beeld van het aandeel van haar waardecreatie die een bedrijf aan de overheid afdraagt. De toegevoegde waarde is een beter criterium dan omzet. Bedrijven brengen welvaart voort of creëren toegevoegde waarde. Dat is het verschil tussen omzet en allerlei kosten als die voor grondstoffen, uitgaven voor bijvoorbeeld huur of voor de aankoop van half afgewerkte producten. Het gebruik van de toegevoegde waarde in plaats van de omzet vermijdt dubbeltellingen. Als een chemiefabriek elektriciteit verbruikt, dan is dat ook een deel van de omzet van de energieproducent. Als we de omzet als criterium hanteren, zouden we twee keer de energiekosten in rekening nemen. Vandaar dat toegevoegde waarde relevanter is. Uit de berekeningen van Trends blijkt dat de 100 bedrijven die de hoogste maatschappelijke bijdrage betalen, samen een toegevoegde waarde van 42,237 miljard euro genereren. Met totale lasten ten bedrage van 9,3 miljard euro betekent dit dat 22,10 procent van de toegevoegde waarde aan de staatskas wordt overgedragen. Sommige andere onderzoeken -- onder andere van Voka, die van Picanol en Colruyt -- komen uit op een hoger percentage van de toegevoegde waarde die door de ondernemingen worden gecreëerd omdat betalingen zoals werknemersbijdragen wel worden meegerekend. Aangezien vooral grote bedrijven in de top 100 terug te vinden zijn, kan je denken dat alleen zij een hoge maatschappelijke bijdrage leveren. En kleine bedrijven veel minder of niet. Vorig jaar analyseerde VKW Metena ook de bijdrage van de microbedrijven (161.000 bedrijven met een omzet van minder dan 2 miljoen euro), kleine kmo's (7103 ondernemingen, 2 tot 10 miljoen euro omzet) en middelgrote kmo's (4370 bedrijven, 10 tot 50 miljoen euro omzet). Hun maatschappelijke bijdrage bedroeg 8,2 miljard euro voor microbedrijven, 4,3 miljard voor kleine kmo's en 8 miljard voor middelgrote kmo's. En ook daar weegt de balans duidelijk door in het voordeel van de patronale bijdragen tegenover de winstbelasting. Geen enkel bedrijf ontsnapt dus aan een belangrijke afroming van de waardecreatie. ALAIN MOUTONGeen enkel bedrijf ontsnapt aan een belangrijke afroming van de waardecreatie. Sommige bedrijven betalen zeer weinig vennootschapsbelasting, maar dragen een veelvoud aan andere belastingen af.