De nieuwe fiscale procedure die dik twee jaar geleden werd doorgevoerd, vertoont onvermijdelijk kinderziekten. Dit komt onder meer door de manier waarop de overgang van de oude naar de nieuwe procedure is geregeld. Het minste dat men daarover kan zeggen is dat deze overgangsregeling niet altijd een toonbeeld van duidelijkheid is.
...

De nieuwe fiscale procedure die dik twee jaar geleden werd doorgevoerd, vertoont onvermijdelijk kinderziekten. Dit komt onder meer door de manier waarop de overgang van de oude naar de nieuwe procedure is geregeld. Het minste dat men daarover kan zeggen is dat deze overgangsregeling niet altijd een toonbeeld van duidelijkheid is.Vandaar dat de regering nu bij het parlement een wetsontwerp heeft ingediend om deze regeling op een aantal punten aan te passen. Die aanpassingen zijn voor het grote publiek allicht niet indrukwekkend, maar voor concrete dossiers soms wel van groot belang.Neem bijvoorbeeld de vraag hoe u verzet moet aantekenen tegen een dwangbevel dat op het gebied van de BTW wordt uitgevaardigd. In de 'oude' procedure kon er geen twijfel over bestaan: dit moest gebeuren door de fiscus te dagvaarden voor de rechtbank. In de 'nieuwe' fiscale procedure hoeven fiscale vorderingen niet langer bij wijze van een dagvaarding te worden ingeleid (wat altijd de interventie van een gerechtsdeurwaarder impliceert), maar volstaat een (gratis) verzoekschrift. In de praktijk is verwarring ontstaan over het ogenblik waarop deze nieuwe werkwijze op het gebied van de BTW mag worden toegepast. Sommigen hebben een verzoekschrift gebruikt, terwijl het volgens de rechter nog een dagvaarding moest zijn. Het wetsontwerp _ zodra het goedgekeurd is _ schrapt deze betwisting: het verzet tegen een dwangbevel inzake BTW zal altijd bij verzoekschrift ingeleid kunnen worden.Een ander praktisch probleem betreft de wijze waarop u tegen een arrest van het hof van beroep een voorziening kunt instellen bij het Hof van Cassatie. Volgens de regels van het gerechtelijk recht moet het verzoekschrift logischerwijze worden ingediend op de griffie van het Hof van Cassatie zelf. In de 'oude' fiscale procedure gold evenwel op het gebied van de inkomstenbelastingen een afwijkende regeling. Daar moest het verzoekschrift worden ingediend, niet op de griffie van het Hof van Cassatie, maar wel op die van het hof van beroep.Deze afwijkende regeling is in de 'nieuwe' fiscale procedure geschrapt. Maar in een overgangsregeling werd ze behouden voor alle betwistingen die op 1 maart 1999 al aanhangig waren bij een hof van beroep.De formulering van de wet is op dit punt evenwel allerminst duidelijk. Vandaar dat verschillende voorzieningen in cassatie die _ conform de overgangsregeling _ nog bij de griffie van het hof van beroep moesten worden ingediend, verkeerd zijn ingediend bij de griffie van het Hof van Cassatie. Met als gevolg dat het hoogste rechtscollege deze voorzieningen in een aantal gevallen onontvankelijk heeft verklaard.In het wetsontwerp wordt dit nu op twee manieren opgelost. Ten eerste door de wettekst op dit punt veel duidelijker te formuleren en de situatie van de hangende verzoekschriften te regulariseren. En ten tweede door 'zondaars' een tweede kans te geven. Wie van het Hof van Cassatie inmiddels te horen heeft gekregen dat zijn cassatievoorziening onontvankelijk is omdat zij in de overgangsregeling verkeerdelijk bij de griffie van het Hof van Cassatie is ingediend (in plaats van bij de griffie van het hof van beroep), zal alsnog _ binnen drie maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet _ een nieuw verzoekschrift kunnen indienen.Een ander heet hangijzer betreft de vertegenwoordiging van de Belgische Staat voor de fiscale rechtbank. Een aantal maanden geleden heeft de administratie beslist dat de belangen van de Belgische Staat, minstens op het gebied van de inkomstenbelastingen, niet langer verdedigd zullen worden door advocaten, maar wel door de ambtenaar die de betwiste taxatie heeft gevestigd. Verschillende fiscale rechtbanken hebben evenwel geoordeeld dat ambtenaren daar in de huidige stand van de wetgeving niet bevoegd voor zijn. Waarop de regering heeft gereageerd, door het nemen van een wetgevend initiatief dat de belastingambtenaren alsnog bevoegd verklaart om voor de fiscale rechtbanken op te treden. Dat wetsontwerp (overigens te onderscheiden van het hoger vermelde wetsontwerp inzake de overgangsregeling van de nieuwe fiscale procedure) is inmiddels door de Kamer goedgekeurd. Maar de Senaat aarzelt. Er gaan immers _ ook binnen de belastingadministratie _ meer en meer stemmen op die vinden dat men de belastingambtenaren niet moet inschakelen voor de fiscale rechtbanken; zij hebben ander werk te doen.De verwarring heeft inmiddels wel tot gevolg dat talrijke vorderingen voor de fiscale rechtbanken zijn stilgevallen. Voor een efficiënte rechtsbedeling is dat uiteraard geen goede zaak. De fiscale rechtbanken krijgen immers bijzonder veel zaken te verwerken. Uit het jaarverslag van de algemene administratie van de belastingen blijkt dat vorig jaar _ alleen al op het gebied van de inkomstenbelastingen _ 2825 betwistingen aanhangig zijn gemaakt bij de fiscale rechtbanken van eerste aanleg.Vergeleken met de betwistingen die voorheen, in de oude procedure, rechtstreeks bij de hoven van beroep aanhangig werden gemaakt, zijn er dat op jaarbasis net geen 50% meer. Er is dus veel werk aan de winkel. Dat een aantal dossiers nu geblokkeerd geraakt door de problemen rond de procesvertegenwoordiging van de fiscus, maakt het alleen maar moeilijker. Tijd dus dat de fiscale wetgever snel klaarheid schept.Jan Van DyckDe auteur is advocaat bij Dauginet & co. en hoofdredacteur van Fiscoloog.Rechtbanken krijgen bijna 50% meer vorderingen te verwerken.