We stipten het eerder al aan: in de Angelsaksische landen wil men de traditionele marktwaarde door de billijke waarde vervangen, maar dat begrip verschilt naargelang van de functie van de toezichthouder. Een accountant staat in voor de accuraatheid waarmee de zaken geboekt zijn. Hij controleert dus de boekingen op hun redelijkheid. Voor hem stemt een billijke waarde vaak overeen met een vervangingswaarde of de oorspronkelijke aanschaffingswaarde verminderd met de afschrijvingen. Als het actief in kwestie een groot risicogehalte heeft, volstaat het om het sneller af te schrijven.
...

We stipten het eerder al aan: in de Angelsaksische landen wil men de traditionele marktwaarde door de billijke waarde vervangen, maar dat begrip verschilt naargelang van de functie van de toezichthouder. Een accountant staat in voor de accuraatheid waarmee de zaken geboekt zijn. Hij controleert dus de boekingen op hun redelijkheid. Voor hem stemt een billijke waarde vaak overeen met een vervangingswaarde of de oorspronkelijke aanschaffingswaarde verminderd met de afschrijvingen. Als het actief in kwestie een groot risicogehalte heeft, volstaat het om het sneller af te schrijven. Voor de officiële toezichthouders van de bancaire sector heeft de billijke waarde een andere betekenis. Voor hen is het van cruciaal belang dat het onderliggende risico van het actief duidelijk naar voor komt. Natuurlijk kunnen ze daarvoor niet zomaar de marktwaarde hanteren. Die varieert immers permanent of kan in de meeste gevallen zo gemanipuleerd worden dat ze niet langer relevant is. De oorspronkelijke aanschaffingswaarde, al dan niet gedeeltelijk afgeschreven, biedt ook geen voldoening. Sommigen stellen een dubbele waardering voor: een billijke, volgens een verder te definiëren methode, en een prospectieve, die rekening zou houden met mogelijke toekomstige verliezen. Die benadering is nu al van toepassing in Spanje. Ze biedt misschien een beter inzicht in de waarderingsbenadering, maar is evenmin betrouwbaar. In een dergelijke materie is objectiviteit zelden te vinden. Nu de banken minder kredieten toestaan en bedrijven aanmoedigen om via obligatieleningen zelf kapitaal op te nemen, moeten de investeerders kunnen vertrouwen op boekhoudcijfers om het risico van bedrijfsleningen te kunnen inschatten. Vroeger, toen banken nog kredieten toestonden, kon men de kredietwaardigheid van bedrijven afleiden uit de bankboekingen. Vandaag dragen de banken dat risico niet langer, hoewel ze als markthouders fungeren voor het verhandelen van bedrijfsobligaties. Dat risico hebben ze inmiddels overgedragen naar de investeerders. Banken kunnen natuurlijk zelf in die bedrijfsobligaties investeren. Dan is het niet ondenkbaar dat, naargelang van de rekening waarop die stukken terechtkomen, de waardering verschilt. Dat gevaar zit er dik in, zoals lord Adair Turner, het hoofd van de Financial Services Authority, de Britse toezichthouder van de financiële instellingen, onlangs nog verklaarde. De billijke waarde is voor een trader immers de waarde waartegen hij het stuk kan verkopen, met andere woorden zijn laatkoers. Die kan verschillen van de aanschaffingswaarde, de vervangingswaarde of de marktwaarde en varieert van trader tot trader en naargelang van de markttoestand. Zolang er geen klaarheid komt, zijn alle geplande verstrakkingen op het gebied van kapitaalhandhaving nutteloos. Financiële instellingen zullen de regelgeving zo interpreteren dat ze voor hen het best uitkomen. De wens van de Amerikaanse overheid om de bankactiviteiten strakker te reguleren, zou daar verandering in kunnen brengen. Maar de bancaire lobby is een van de machtigste en kreeg onlangs gelijk van het opperste gerecht om politieke activiteiten te mogen financieren. De slag is dus ver van gehaald. En de houder die voor bedrijfsobligaties opteert, blijft op dat vlak in de kou staan. (C) Door Jean-Pierre Avermaete