Rudy Aernoudt
...

Rudy AernoudtDankzij de syndicale actie in het begin van vorige eeuw, hebben wij allemaal recht op betaald jaarlijks verlof. Als manager van het departement economie, wetenschappen en innovatie, heb ook ik -zoals elke ambtenaar, hoewel ik geen ambtenaar ben, maar contractueel- recht op 35 dagen verlof. Immens veel. De goede raad van Herman Decroo indachtig, neem ik vier weken verlof. Iets wat mij nog niet eerder overkwam. De vakantie is voor mij steevast een periode om de lang opgestapelde boeken te lezen. Ik bemerk dit jaar in mijn 'boekenvalies' dat heel wat exemplaren betrekking hebben op arbeid. Zelf schreef ik twee jaar geleden 'Arbeid, lust of last?' (Roularta 2005). In dat boekje pleitte ik ervoor om sociaal beleid en arbeidsmarktbeleid van elkaar te scheiden, omdat ze elkaar nu bezoedelen en zo beide inefficiënt zijn. Een eigen boek lezen, is een eigenaardige ervaring. Het is als zwalpen tussen narcisme en schizofrenie. Daarnaast bevat mijn stapeltje ook een paar klassiekers. Een klassieker is voor mij een boek dat men nooit leest, maar steeds herleest. 'Le droit à la Paresse', van Paul Lafargue is er zo een. In dat boek - verkrijgbaar in de collectie 'Mille et Une nuits' tegen de prijs van één euro - trekt de schoonzoon van Marx van leer tegen het recht op arbeid. Grandioos, beklijvend en nog steeds actueel. Idem voor het recente boek van Marc De Vos en Joep Konings: 'Van baanzekerheid naar werkzekerheid' (Intersentia 2007). Een boek dat een mooi overzicht geeft van de niet-werking van de arbeidsmarkt en wat eraan gedaan kan worden. Zij pleiten onder meer voor een aantal drastische ingrepen op de arbeidsmarkt zoals een degressieve afbouw van de werkloosheidsvergoedingen in de tijd, een gelijkschakeling van statuut voor arbeider en bediende (ik zou er nog ambtenaar aan toevoegen), een schoonmaak van de meer dan honderd banenplannen en een wijziging van de ontslagregelingen. Stuk voor stuk interessante voorstellen. Al deze boeken geven mij echter onvoldoende antwoord op de paradox van de arbeidsmarkt. Die luidt dat ondernemers, zowel in het zuiden als het noorden van het land klagen over het gebrek aan arbeidskrachten, terwijl ons land nog steeds een half miljoen uitkeringsgerechtigde werklozen rijk is. De paradox drijft op een complexe reeks van factoren. De mismatch tussen vraag en aanbod is vijfvoudig. De vraag naar arbeid in bepaalde subregio's (Aarlen, Waals-Brabant, Antwerpen, Kortrijk, Roeselare, Leuven) valt niet samen met de subregio's die een 'stock' aan werklozen hebben (Oostende, Brugge, Luik, Charleroi, Doornik, Limburg). Naast deze geografische mismatch is er ook een taalprobleem. Waalse werklozen spreken zelden Nederlands en van de Brusselse werklozen is 93 % niet tweetalig. Er is ook een culturele mismatch. Allochtonen, zelfs hoger gekwalificeerde, komen zelden aan de bak. Ook een mismatch van kwalificaties: de gevraagde kwalificaties komen niet overeen met wat het onderwijs aflevert. Ten slotte is er een mismatch qua mentaliteit. Werklozen beschouwen hun werkloosheidsvergoeding als onvoorwaardelijk terwijl ze eigenlijk een tijdelijke schadeloosstelling is. Deze vijf mismatchen kunnen eenvoudig worden aangepakt: stimuleer geografische mobiliteit, promoot taalonderricht, sanctioneer niet-werkwilligen en kanaliseer hen naar sociale politiek, verplicht opleiding en omscholing en wijs op het voorwaardelijke en kortetermijnkarakter van de werkloosheid. Als wij deze vijf maatregelen nemen, wordt iedereen er beter van: werkgevers vinden arbeidskrachten, werklozen vinden werk, de overheid ziet haar (werkloosheid)uitgaven dalen en haar (belasting)ontvangsten stijgen. Als de oplossing zo eenvoudig is en iedereen er beter van wordt, waarom gebeurt er dan niets? Wel, omdat er ook een aantal 'stakeholders' zijn die belang hebben bij het in stand houden van de werkloosheid. In de eerste plaats de vakbonden. Iedere werkloze brengt dagelijks één euro in het laatje. Als de werkloosheid verdwijnt, zou dat een minderinkomst van 168 miljoen euro per jaar betekenen voor de bonden. Iedere werkloze die werk vindt, betekent inkomstenverlies voor de vakbonden. Hun vragen om het werkloosheidsprobleem op te lossen, is hetzelfde als een bouwpromotor vragen bouwgronden te converteren in groene zone. De linkse partijen vormen een tweede stakeholder. Uit een marketinganalyse in Wallonië blijkt dat van elke drie kiezers van het CDH of de MR er twee aan de slag zijn, terwijl van de kiezers van de PS er twee op drie werkloos zijn. Anders gezegd, de werkloosheid is het handelsfonds van linkse partijen. Derde stakeholder is de malafide werkloze, die - aangezien hij geen werk zoekt - eigenlijk geen werkzoekende is en die tevens verantwoordelijk is voor de negatieve perceptie van de werklozen. Hoe kunnen we dat aanpakken? Wel, vakbonden hebben een maatschappelijke rol (denk aan de betaalde vakantie), net zoals politieke partijen die hebben. Laat ons die dan ook structureel financieren; misschien met een 'vakbondspremie' als zij door hun tussenkomst iemand aan werk helpen. Wat de politiek betreft, enkel charismatische linkse leiders die op lange termijn denken, kunnen kiezen voor een resolute aanpak van de werkloosheid. De lokale aanpak van Oostende, die nu ook de inspiratiebron is voor het jongerenwerkloosheidsplan Jobtonic in Wallonië, en waar jongeren onmiddellijk na het schoolverlaten intens worden begeleid, is een goed voorbeeld. En wat de niet-werkwillige werklozen betreft? Die horen niet thuis in een arbeidsmarktbeleid, maar in een sociaal beleid. Rudy Aernoudt De auteur is secretaris-generaal van het Vlaamse Departement Economie, Wetenschappen en Innovatie. Hij schrijft deze column in persoonlijke naam. Reacties: blikvanaernaoudt@trends.be