Turkije, dat jaren aan de rand van Europa vertoefde, speelt in 2011 een grotere rol dan gewoonlijk. Voor het tweede jaar op rij is het de snelst groeiende economie van behoorlijke omvang. Waarschijnlijk moet het alleen China, India en de kleinere opkomende markten laten voorgaan.
...

Turkije, dat jaren aan de rand van Europa vertoefde, speelt in 2011 een grotere rol dan gewoonlijk. Voor het tweede jaar op rij is het de snelst groeiende economie van behoorlijke omvang. Waarschijnlijk moet het alleen China, India en de kleinere opkomende markten laten voorgaan. Dat economische succes bezorgt de gematigde islamitische Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AK) nog maar eens een verkiezingsoverwinning. Maar haar meerderheid slinkt. Premier Erdogan zet zich nu aan de herziening van de grondwet die in essentie dezelfde is als die van 1980, opgelegd na een coup van het leger. Het is niet verwonderlijk dat die het leger privileges geeft en de Turkse politieke partijen beknot. Een herziening van de grondwet zou een zaak van regering en oppositie moeten zijn. Maar na bijna een decennium Erdogan-bewind is Turkije verdeeld tussen vrome moslims, die de AK steunen en vaak uit Anatolië komen, en de zogenaamde witte Turken van Istanboel en het westen, die vaak militante secularisten zijn. De discussie over een nieuwe grondwet verbreedt die kloof. Die binnenlandse strubbelingen schuiven de moeizame onderhandelingen over de Turkse toetreding tot de Europese Unie nog meer op de lange baan. Als hij herverkozen wordt, zal Erdogan zelfs vermijden om van de Europese Unie te spreken. Hij en zijn minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoglu leggen de klemtoon veeleer op hun nieuwe banden met de Arabische wereld, Iran en andere buren. De verleiding is groot om uit te bazuinen dat Turkije het best alleen kan en zelfs een regionale macht kan worden. Davutoglu's beleid van 'geen problemen met de buren' bezorgt Turkije een invloedrijke positie in de Arabische wereld en de Balkan. Kijkend naar hoe Europa er een eeuw geleden uitzag, zou het zelfs als neo-Osmaans bestempeld kunnen worden. Maar historici wijzen erop dat het Osmaanse Rijk na de Eerste Wereldoorlog tot stof verging. De bittere waarheid is dat Turkije geen echt alternatief heeft voor Europa, wat Erdogan en zijn collega's in 2011 ontdekken. De aantrekkingskracht van toenemende handel met Syrië en Irak, van verafgoding in de Arabische straten om afgegeven te hebben op Israël en van de energiepolitiek tegenover Rusland, vervaagt snel. Europa neemt nog altijd zowat de helft van de buitenlandse handel van Turkije voor zijn rekening. En wie Turkije wil moderniseren, moet voorwaarts kijken naar het progressieve, democratische Europa en niet achterwaarts. De auteur is redacteur Europa van The Economist.JOHN PEET