De schitterende droombeelden die de recente erkenning van India als een ontluikende grootmacht oproepen, hebben altijd gecontrasteerd met de slonzige realiteit van het land zelf. In 2007 zullen droom en werkelijkheid met elkaar in botsing komen op drie gebieden waarop India aanspraak maakt op grootsheid: als een land met meer dan een miljard inwoners dat een bruisende democratie is en blijft; als een aanvaarde wereldmacht die in vrede leeft met zijn buren; en als een economie die bijna Chinese groeivoeten kent. Die drie aanspraken zullen de aanrijding overleven en eruit tevoorschijn komen, niet zozeer gehavend, dan wel gesterkt door een nieuwe zin voor realisme.
...

De schitterende droombeelden die de recente erkenning van India als een ontluikende grootmacht oproepen, hebben altijd gecontrasteerd met de slonzige realiteit van het land zelf. In 2007 zullen droom en werkelijkheid met elkaar in botsing komen op drie gebieden waarop India aanspraak maakt op grootsheid: als een land met meer dan een miljard inwoners dat een bruisende democratie is en blijft; als een aanvaarde wereldmacht die in vrede leeft met zijn buren; en als een economie die bijna Chinese groeivoeten kent. Die drie aanspraken zullen de aanrijding overleven en eruit tevoorschijn komen, niet zozeer gehavend, dan wel gesterkt door een nieuwe zin voor realisme. Politiek gezien zal 2007 in het teken staan van verkiezingen in zes van India's 28 staten. De belangrijkste daarvan vinden plaats in de grootste staat, Uttar Pradesh (UP). Met een bevolking van meer dan 170 miljoen zou een zelfstandig UP het zesde grootste land van de wereld zijn. Bij algemene verkiezingen levert het meer dan een zevende van alle zetels in het Indiase parlement. Maar de twee grote nationale partijen van India - de Congrespartij, die de regerende coalitie leidt, en de Bharatiya Janata Party (BJP), die de oppositie aanvoert - verkeren in UP in wanorde. Ze spelen slechts een bijrolletje op het op kasten gebaseerde politieke toneel van de deelstaat. De verkiezingen zullen dan ook een aantal van de minder fraaie kenmerken van de Indiase democratie te zien geven. De Congrespartij zal trachten munt te slaan uit de dynastieke aantrekkingskracht van Rahul Sandhi. Zijn moeder leidt op dit ogenblik de partij en zijn vader, grootmoeder en overgrootvader zijn eerste minister geweest. Heel wat kandidaten zullen gangsters zijn. Ze zijn uit op financieel gewin of hopen als verkozene te ontsnappen aan vervolging. Een kwart van de huidige parlementsleden van UP wordt gerechtelijk vervolgd voor misdaden. De verkiezingen zullen ook een verwoestend effect hebben op het beleid. Om stemmen te winnen onderaan in het Indiase kastenstelsel, zullen de partijen nog meer 'positieve discriminatie' beloven. De op kasten steunende quota's voor overheidsbetrekkingen en functies in scholen bleken in het verleden hoogst inefficiënt. Bovendien hebben ze de corruptie doen toenemen. Ook al weten de slimme koppen in de regering dat het geen goede zaak is, toch zullen ze wetten goedkeuren om de quota's uit te breiden in de hoop daaruit kortetermijnvoordeel te halen bij de verkiezingen. Later in het jaar zal een andere verkiezing, nu in Gujarat, nog een donkere kant van India blootleggen: het maatschappelijk geweld tussen de hindoemeerderheid en de moslims. De vorige verkiezingen in december 2002 werden geschandvlekt door onverbloemde oproepen tot vooroordeel, na een gruwelijke pogrom eerder dat jaar waarin misschien wel 2000 moslims vermoord werden. De BJP zal onder haar demagogische aanvoerder in de staat, Narendra Modi, campagne voeren met een programma dat zich toespitst op 'hindutva' of hindoeïsering, iets wat heel wat moslims zal verontrusten. De campagne zal nog verhitter verlopen als - wat maar al te waarschijnlijk is - India te maken krijgt met nog meer terroristische aanslagen. In de voorbije jaren is er een hele reeks van dergelijke aanslagen geweest, met als bloedigste hoogtepunt de aanslag in Mumbai in juli 2006, waarbij meer dan 180 mensen om het leven kwamen. De terroristische wandaden, die India toeschrijft aan militante groepen die hun hoofdkwartier hebben in Pakistan, werpen nu al een schaduw op de kansen voor een duurzame vrede tussen de twee nucleair bewapende buren. Pervez Musharraf, de president van Pakistan, die in eigen huis onder druk staat om een deel van zijn dictatoriale bevoegdheden uit handen te geven, zal met ongeduld uitkijken naar een 'doorbraak' over het betwiste gebied Kashmir. Om het stilgevallen vredesproces weer op gang te brengen, ging hij in september 2006 akkoord met de oprichting van een gemeenschappelijk 'anti-terreurmechanisme'. Het vermoeden blijft echter bestaan dat een deel van het Pakistaanse establishment het 'terrorisme bij volmacht' als wapen tegen India nog niet volledig heeft afgezworen. Het vredesproces zal in 2007 dan ook eerder achteruit- dan vooruitgaan. De Indiase premier Manmohan Singh zal evenmin de kans krijgen om de totstandkoming te vieren van het pièce de resistance van een nieuw 'strategisch partnership' met de Verenigde Staten. India mag door deze overeenkomst rekenen op nucleaire samenwerking, ondanks het feit dat het over een bom beschikt. Een dergelijk akkoord zal na de recente atoomproef van Noord-Korea internationaal nog een stuk controversiëler worden. De tegenstanders voeren aan dat het een bres slaat in het wereldwijde stelsel van non-proliferatie. In het binnenland zullen de nationalisten, die ervan overtuigd zijn dat Singh India's strategische onafhankelijkheid verkwanselt, opgelucht zijn dat de overeenkomst uitgesteld wordt, misschien zelfs permanent. India heeft een economische groei van 8 % of meer nodig om de 71 miljoen mensen die tegen 2010 op de arbeidsmarkt komen, werk te verschaffen. Een tekort aan energie zou echter een rem op de groei kunnen zetten. India wordt ook geconfronteerd met een nieuwe (onverwachte) schaarste: een tekort aan technisch onderlegde, Engelssprekende universitairen. De economische groei is zo intens geweest, vooral in de IT- en outsourcingsectoren, dat het Indiase onderwijssysteem niet kon volgen. Ondanks al die beperkingen zal de groeivoet in 2007 voor het vijfde opeenvolgende jaar dicht bij de 8 % liggen. Zonder een verdere liberalisering van de economie zal de regering echter moeite hebben om dat ritme ook in 2008 en daarna vol te houden. Het is en blijft niettemin een opmerkelijke prestatie, die neergezet werd tegen een achtergrond van een onhandelbare binnenlandse politiek en een onzekere omgeving voor het buitenlands beleid. Dromen kunnen nog werkelijkheid worden. De auteur is redacteur Azië van The Economist.Simon Long