De overheid - de federale en gewestelijke instellingen, de gemeenten en ook de openbare bedrijven - is een grootgebruiker van allerlei producten en diensten. In België is de overheidsmarkt goed voor 5 tot 10 procent van het bruto binnenlands product. We hebben het dan over 20 tot 30 miljard euro. Dat kan een geweldige hefboom zijn om duurzame economie te stimuleren.
...

De overheid - de federale en gewestelijke instellingen, de gemeenten en ook de openbare bedrijven - is een grootgebruiker van allerlei producten en diensten. In België is de overheidsmarkt goed voor 5 tot 10 procent van het bruto binnenlands product. We hebben het dan over 20 tot 30 miljard euro. Dat kan een geweldige hefboom zijn om duurzame economie te stimuleren. De jongste jaren is onder impuls van de Europese Unie een beleid ontwikkeld voor duurzame overheidsaankopen. De eerste stappen werden in 2004 gedaan met twee richtlijnen waarin milieucriteria voor openbare aanbestedingen werden aangegeven. Vier jaar later werd de visie van de Commissie nauwkeuriger omschreven in een mededeling waarin voor sommige basiscriteria een harmoniseringskader werd geschetst en tegelijk een doelstelling werd vastgelegd van 50 procent groene openbare aanbestedingen tegen 2010. In België kwam er in 2009 een federaal actieplan met de doelstelling om 50 procent duurzame publieke aankopen te realiseren tegen 2011. Een soortgelijk actieplan bestaat ook in Vlaanderen. Het Brussels Gewest heeft een rondzendbrief, en in Wallonië zijn er zelfs verschillende in omloop die als richtsnoer dienen voor duurzame openbare aankopen (voor papier, smeermiddelen enzovoort), in afwachting van een volwaardig decreet. In de praktijk richten heel wat openbare inkopers zich op de 'Gids voor duurzame aankopen' van de programmatorische federale overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling (POD DO). Dat is een interactieve website die aanbevelingen bevat voor inkopers uit overheidsdiensten in de vorm van meer dan 250 'DOO-fiches'. De gids werd onlangs geactualiseerd, legt Hamida Idrissi van de dienst uit, na een brede consultatie. "Voor sommige productgroepen kwamen een heleboel opmerkingen binnen. Dat was onder meer het geval voor papier, ICT, voedingsmiddelen, meubelen, drukwerk en textiel. We besloten om voor die producten de discussie met de betrokken sectoren uit te diepen. Voor sommige productgroepen werden de fiches al herzien en gevalideerd, voor andere loopt de procedure nog." Over het algemeen heeft die herziening geleid tot een vereenvoudiging om de fiches begrijpelijker en makkelijker bruikbaar te maken, wat niet wil zeggen dat de normen soepeler werden. Gelijktijdig met de revisie liet de overheid een marktstudie uitvoeren bij 800 ondernemingen om na te gaan of er op de Belgische markt wel voldoende duurzame producten en diensten aangeboden worden. De resultaten van die studie waren eerder mager: de respons was lager dan verwacht en voor heel wat producten kon geen conclusie getrokken worden. Voor de producten waarvoor wel voldoende antwoorden binnenkwamen, blijkt het aanbod op de Belgische markt wel degelijk te volstaan. Uiteraard zijn de duurzaamheidscriteria niet de enige die in aanmerking genomen worden bij openbare aankopen. Uiteindelijk blijft de prijs het essentiële criterium. Vraag is of die prijs niet anders moet worden berekend om rekening te houden met de totale kostprijs van de producten en diensten (leverings- en werkingskosten en eventueel ook de kosten voor afvalverwerking). In dat geval kan een ecologisch product soms minder 'duur' uitvallen dan een iets minder duurzame concurrent. De overheidsdienst voor duurzame ontwikkeling heeft trouwens al een voorbereidende studie uitgevoerd over de mogelijkheden en hindernissen om de kostprijs van de levenscyclus in te bouwen in de aankopen van de overheid. EMMANUEL ROBERT